Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Bokje

Bokje

Lymnocryptes minimus | Jack snipe | Agachadiza chica

Het bokje is de kleinste en de meest verstopte snip van Europa: hij drukt zich tot je hem bijna vertrapt en vliegt dan zwijgend en laag op om binnen enkele tientallen meters weer te verdwijnen. Meer nog dan aan uiterlijk herken je hem aan die stille, korte ontsnapping.

Bokje (Lymnocryptes minimus)
Foto: Burzawa Clément — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Bijna altijd zwijgend bij het opvliegen, en juist die stilte is diagnostisch; hooguit ontsnapt hem een zwak, gedempt gatsj. In het broedgebied is hij wel luidruchtig: 's nachts in mei en juni klinkt boven het veenmoeras een ritmisch, hol galopperend lok-lok, lok-lok, lok-lok, dat lijkt op een paard dat in de verte over een harde weg draaft en op kilometers afstand hoorbaar is. Dat geluid krijg je in Nederland en Spanje vrijwel nooit te horen. Een schuw bokje maakt bij het opvliegen soms alleen het zachte gefladder van de vleugels.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Beduidend kleiner dan de watersnip en met een opvallend korte snavel, nauwelijks langer dan de kop. De kruin is donker en heeft geen lichte middenstreep; in plaats daarvan loopt boven het oog een gespleten, dubbele wenkbrauwstreep, wat op korte afstand het beslissende kenmerk is. Op de mantel liggen vier scherpe, goudgele lengtestrepen, en de schouderveren glanzen bij goed licht paars en groenig. De flanken zijn overlangs gestreept, niet dwarsgebandeerd zoals bij de watersnip, en de spitse, wigvormige staart mist wit. Foeragerende vogels veren voortdurend op en neer, alsof ze op een veertje staan; dat wippen verraadt hem vaker dan zijn kleed.

Verwarrings­soorten

De watersnip is de enige serieuze verwarring: die is groter, heeft een veel langere snavel, een lichte middenstreep over de kruin, dwarsgebandeerde flanken en een witte achterrand aan de vleugel, en vliegt in wijde zigzagbochten hoog weg terwijl hij een schor etsj roept. De houtsnip is veel groter en zwaarder, met dwarsstrepen over de kruin en een boskarakter. De poelsnip is groter, heeft witte staarthoeken en zwaardere flankbanden, maar is in Nederland en Spanje een dwaalgast.

Leefgebied

Doorweekte zeggen- en biezenvegetatie, natte veenmosranden, kwelsloten, ondergelopen weilandhoeken, trilvenen en de modderige, door vee vertrapte randen van poelen. Hij zoekt dekking van een paar decimeter hoog: te kaal en hij zit er niet, te ruig en hij komt niet aan de grond. Foerageert tastend met de korte snavel in de zachte modder, op wormen, insectenlarven en zaden. In het broedgebied op open hoogveen en zeggenmoeras in de taiga.

Verspreiding en trek

Broedt in het noorden van Scandinavië en door de Russische taigazone en overwintert in West-Europa, het Middellandse Zeegebied en de Sahel. Nederland heeft in de winter waarschijnlijk enkele duizenden vogels, verspreid over natte natuurgebieden en boerenland, maar bijna alle waarnemingen zijn opvliegers. In Spanje is hij een verspreide wintergast van rijstvelden, natte dehesa-laagten, marismas en de randen van stuwmeren, met de meeste meldingen uit Doñana, Extremadura en de Ebrodelta.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop tussen november en februari langzaam en zigzaggend door een drassige zeggenhoek of langs een kwelsloot met bult-en-slenkstructuur, en let op elke vogel die zonder geluid en laag opvliegt. Markeer de plek waar hij neerkomt: bokjes landen meestal binnen twintig tot vijftig meter en laten zich daarna vaak op de grond bekijken, soms tot op tien meter. Vorstperiodes concentreren ze op onbevroren kwelplekken en slootranden, en dat zijn de beste dagen. Zoek bij voorkeur in de ochtend, wanneer het gras nog nat is en de vogels dicht bij de open randen zitten.

Staat van instandhouding

Least Concern, met een groot maar dun bezet broedareaal in de noordelijke taiga. De Europese trend is slecht te bepalen omdat de soort zich vrijwel niet laat tellen: de aantallen op het broedgebied worden op nachtelijke baltsende mannetjes geschat en winteraantallen zijn nooit meer dan een schatting. Zorgen zijn er over de ontwatering en de ontginning van veenmoerassen in het broedgebied, het verdwijnen van natte, ruige randen in het winterareaal en de jacht, die in verschillende Europese landen nog steeds wordt uitgeoefend.