Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Zwarte ruiter
Zwarte ruiter
Tringa erythropus | Spotted redshank | Archibebe oscuro
De zwarte ruiter is de elegantste van de ruiters: in zomerkleed roetzwart met witte spikkels, in winterkleed lichtgrijs en spierwit van onderen. Wie hem in augustus op een slikplaat treft, ziet meestal een vogel halverwege de rui, met zwarte lappen in een grijs kleed.
Geluid
Roept veel, ook op trek, en verraadt zich daar geregeld mee voordat je hem ziet staan. De vluchtroep is een scherp, tweelettergrepig tsjoe-wit, hoger en doordringender dan alles wat tureluur of groenpootruiter laat horen. Bij onrust op de plaat een kort, hard tjik, vaak in serie. In de nazomer en herfst is de roep 's nachts boven het binnenland te horen, wanneer vogels van plas naar plas verkassen.
Opname: Jens Loose — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Slanker en langpotiger dan de tureluur, met een opvallend lange, naaldfijne snavel die aan de punt licht omlaag buigt en waarvan alleen de basis van de ondersnavel rood is. Adulten in zomerkleed zijn geheel roetzwart met fijne witte schubjes op de bovendelen en dan donkerrode tot bijna zwarte poten. In winterkleed lichtgrijs boven en wit onder, met een duidelijke witte wenkbrauwstreep vóór het oog en helderrode poten. In vlucht ontbreekt de witte achtervleugelrand van de tureluur volledig; je ziet een smalle witte ovaal die als een wig over de rug doorloopt, en de poten steken ver voorbij de staartpunt. Eerstejaars zijn fijn donker gestreept op buik en flanken en ogen daardoor veel viezer dan de schone winterkleedadulten.
Verwarringssoorten
Tureluur is korter van poot en snavel, warmer bruin, en toont in vlucht brede witte achterranden aan beide vleugels — dat kenmerk hakt de knoop meteen door. Groenpootruiter is bleker en grover, met olijfgroene poten en een dikkere, iets opwippende snavel; zijn roep is drielettergrepig, die van de zwarte ruiter twee. Poelruiter is aanzienlijk kleiner en tengerder, met een naaldrechte snavel zonder rood en groengrijze poten. Een ruiter die in dieper water zwemt of kopje-onder tuimelt is in ons land vrijwel altijd deze soort.
Leefgebied
Op trek ondiepe zoete tot brakke plassen, kleiputten, inlagen, natte graslanden en de slikrand van geulen; op het wad staat hij graag tot aan de buik in het water. Foerageert actiever dan de meeste steltlopers: rennend, zwemmend en soms in groepjes gezamenlijk het water afzwepend, op jacht naar garnalen, kleine vis, wormen en waterinsecten. Broedt ver naar het noorden op open moerastoendra en in de boomgrenszone tussen veenmos en dwergberk.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Noord-Scandinavië en het Russische toendragebied, van Lapland tot voorbij de Jenisej. Nederland ligt op de trekroute: de mooiste zomerkleedvogels verschijnen eind april en begin mei, de grootste aantallen in juli en augustus, verspreid over het Deltagebied, de Waddenkust en de kleiputten van het rivierengebied. Overwintert vooral rond de Middellandse Zee en in de Sahel; in Spanje pleistert hij als archibebe oscuro in Doñana, de Ebrodelta en de zoutpannen van Cádiz, waar hij tot in maart blijft.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek eind april tot half mei op ondiepe zoetwaterplassen naar adulten in vol zomerkleed — vier of vijf roetzwarte vogels vallen van honderden meters op en dan is de soort op zijn spectaculairst. In juli en augustus staan ruiende adulten en later de eerstejaars op de slikranden; bij hoogwater lonen inlagen en karrenvelden achter de zeedijk. Vermijd tegenlicht: het contrast tussen een zwarte vogel en spiegelend water maakt elk detail onleesbaar.
Staat van instandhouding
Wereldwijd Niet bedreigd (LC). De Europese broedpopulatie in Fennoscandinavië en Noord-Rusland lijkt redelijk stabiel, al is de trend slecht bekend doordat het broedgebied nauwelijks geteld wordt. Doortrekkende aantallen bij ons schommelen sterk van jaar tot jaar met het broedsucces in het noorden, dat op zijn beurt van muizen- en muggenjaren afhangt. In het doortrekgebied zijn het verlies van ondiepe brakke plassen en verstoring op ruiplaatsen de voornaamste zorgen.
Andere soorten in deze familie
Oeverloper · Steenloper · Drieteenstrandloper · Bonte strandloper · Kanoet · Krombekstrandloper · Paarse strandloper · Kleine strandloper · Kemphaan · Temmincks strandloper · Watersnip · Rosse grutto · Grutto · Bokje · Wulp · Regenwulp · Rosse franjepoot · Grauwe franjepoot · Houtsnip · Bosruiter · Groenpootruiter · Witgat · Tureluur