Alle soortenSteltloperachtigenStrandlopers en snippen › Grauwe franjepoot

Grauwe franjepoot

Phalaropus lobatus | Red-necked phalarope | Falaropo picofino

De grauwe franjepoot is de steltloper die zwemt waar de andere waden: een licht vogeltje dat als een tolletje in kringen ronddraait op een ondiepe brakke plas en met snelle tikjes prooi van het oppervlak plukt. Zijn tamheid is spreekwoordelijk; verstoring komt zelden van de waarnemer.

Grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, hard en laag tjerp of kit, dat je vooral hoort als een vogel opvliegt of als een groepje op het water met elkaar in contact blijft; het is voller en droger dan het dunne piet van de rosse franjepoot. Foeragerende vogels laten een zacht, snel gekwetter horen. In het broedgebied roept het vrouwtje in de balts een reeks nasale, ratelende tonen terwijl ze achter de mannetjes aan zit. In Nederland en Spanje krijg je meestal alleen die korte vluchtroep te horen.

Luister: Roepjes van een foeragerende vogelXC109658

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein en slank, met een naaldfijne, geheel zwarte snavel en donkere poten met gelobde tenen. Vrouwtjes in zomerkleed zijn het felst gekleurd, met een leigrijze kop, een oranjerode halsvlek die tot op de zijhals doorloopt, een witte keelvlek en warm okergele lengtestrepen op de mantel; mannetjes zijn doffer en bruiner. Juvenielen, de vogels die wij in augustus en september zien, zijn donker op de rug met scherpe geelbruine mantelstrepen, een zwarte oogvlek op een witte kop en vaak een roze-beige waas op de hals. Adulte winterkleedvogels zijn grijs met dezelfde lichte mantelstrepen. In vlucht een duidelijke witte vleugelstreep, een donkere streep over het midden van de stuit en een snelle, wendbare vlucht.

Verwarrings­soorten

De rosse franjepoot is de tegenhanger: forser en boller, met een korte, dikke snavel met gele basis en in winterkleed een effen lichtgrijze mantel zonder lengtestrepen. Kleine strandloper lijkt op een juveniele grauwe franjepoot door de lichte mantelstrepen, maar zwemt niet, heeft geen gelobde tenen en mist de zwarte oogvlek op een witte kop. Op zee kan hij een kleine stormvogel of dwergmeeuw suggereren, maar dan verraadt het draaiende foerageren hem. Bosruiter en oeverloper delen wel eens de plas maar waden.

Leefgebied

Ondiepe, voedselrijke wateren met een open oppervlak: brakke inlagen, kreken, zoutpannen, bezinkbassins, ondergelopen graslandhoeken en de luwe randen van meren. Hij drijft en draait daarbij liever dan dat hij loopt, en pikt muggenlarven, watervlooien en kleine kreeftachtigen van net onder het wateroppervlak. Op zee hangt hij bij schuimlijnen en stroomranden. Broedt bij poeltjes in moerassige toendra, hoogveen en zeggenmoeras in het hoge noorden.

Verspreiding en trek

Broedt van IJsland en Schotland via Fennoscandinavië tot in Siberië en overwintert grotendeels op zee, in de Arabische Zee en de tropische Grote Oceaan. In Nederland is hij een schaarse maar jaarlijkse doortrekker, met een dun voorjaar in mei en een duidelijker najaar met vooral juvenielen van half augustus tot begin oktober, meestal in het Deltagebied, langs de Waddenkust en op inlandse plassen. In Spanje trekt hij talrijker door dan in Nederland, met vaste plekken in de Ebrodelta, de zoutpannen van Alicante en Cádiz en langs de Straat van Gibraltar.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Eind augustus en september leveren de meeste kansen. Zoek een ondiepe brakke plas of een zoutpan met open water zonder oevervegetatie en scan het wateroppervlak in plaats van de randen; het beeld dat je zoekt is een klein vogeltje dat rondjes draait terwijl steltlopers eromheen waden. Ga vroeg, want bij windstil weer in de ochtend liggen de vogels op het gladde water veel makkelijker in beeld. Doordat ze nauwelijks schuw zijn, loont het rustig te blijven zitten: ze komen vaak vanzelf tot binnen enkele meters foerageren.

Staat van instandhouding

Least Concern; de Siberische kern van de populatie is groot. In Europa staat de soort er aan de rand van het areaal veel slechter voor: de Schotse broedvogels op Shetland zijn tot een paar tientallen paren teruggelopen en zijn afhankelijk van gericht beheer van de poeltjes, en in Fennoscandinavië neemt het aantal broedgebieden af door ontwatering, verruiging en predatie. Voor doortrekkers is het behoud van ondiepe, visvrije brakke wateren langs de route van belang, omdat juist daar de insectenrijkdom zit waar ze op tanken.