Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Temmincks strandloper
Temmincks strandloper
Calidris temminckii | Temminck's stint | Correlimos de Temminck
Temmincks strandloper is het muisachtige broertje van de kleine strandloper: langgerekt, laag bij de grond en zo onopvallend dat je hem meestal pas ziet als hij trillend opvliegt. Hij mijdt het open wad en zoekt juist zoete, begroeide slootkanten en drassige randen op.
Geluid
De vluchtroep is een droge, hoge, snel herhaalde trilling, tirrrrr of tirr-tirr-tirr, die klinkt als een klein rateltje en volstrekt anders is dan het korte tit van kleine strandloper. Hij roept vrijwel altijd bij het opvliegen, wat de determinatie van een wegvliegende vogel redt. In het broedgebied houdt het mannetje een zangvlucht met een langgerekte, zilverige triller terwijl hij met opgeheven vleugels boven de moerasrand hangt, vaak in de schemering. In Nederland en Spanje hoor je alleen de vluchtroep.
Opname: Vladimir Yu. Arkhipov (Arkhivov) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Klein en langgerekt, met een horizontale, bijna kruipende houding en korte poten die geelolijf tot vuilgeel zijn: die pootkleur is het snelste kenmerk. De borst is gelijkmatig grauwbruin en eindigt scherp tegen de witte buik, zonder de gespleten wenkbrauwstreep of de witte mantelstrepen van kleine strandloper. Bovendelen effen grijsbruin; alleen in zomerkleed zitten er wat zwart gecentreerde, roestig gezoomde schouderveren tussen. De snavel is kort, recht en donker, met soms een vage lichte basis. Bij het opvliegen zijn de witte buitenste staartpennen het beslissende kenmerk, samen met de smalle witte vleugelstreep en de hoge, schokkerige vlucht.
Verwarringssoorten
Kleine strandloper is de eerste die je moet uitsluiten: die heeft zwarte poten, een witte keel, duidelijke lichte mantelstrepen en een rechtere, meer opgerichte houding. Bosruiter is aanzienlijk groter en langpotiger, met witgespikkelde bovendelen en een witte stuit. Oeverloper heeft een witte wig voor de vleugelboeg en wipt voortdurend met het achterlijf, wat Temmincks strandloper niet doet. Bij twijfel op afstand beslist het gedrag: Temmincks foerageert kruipend en geduldig, kleine strandloper haast zich.
Leefgebied
Zoete en licht brakke, begroeide oevers: greppels en kwelsloten, natte weilandhoeken, bezinkbassins, rioolwaterzuiveringen, kleiputten en de modderige randen van inlandse plassen. Anders dan de meeste kleine strandlopers vermijdt hij open, kale slikplaten en het getijdengebied. Foerageert traag en tastend tussen lage vegetatie, op muggenlarven, kevertjes en andere insecten. Broedt langs toendrarivieren, in wilgenstruweel en op vochtige berkenzomen.
Verspreiding en trek
Broedt in Noord-Scandinavië en door heel arctisch Siberië, met een kleine, sterk uitgedunde populatie langs de Botnische Golf; overwintert in Afrika, het Middellandse Zeegebied en Zuid-Azië. In Nederland is hij een schaarse maar jaarlijkse doortrekker, met een piek in de eerste helft van mei en een tweede golf van juli tot begin september, vrijwel altijd op binnenlandse of brakke plekken en zelden op het wad. In Spanje is hij een schaarse doortrekker die vooral in de Ebrodelta, in de rijstvelden en op binnenlandse stuwmeren en lagunes opduikt.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eerste helft van mei is verreweg het productiefst. Loop bij zonsopgang langzaam de rand van een bezinkveld, een kwelsloot of een net drooggevallen plas af en let op vogels die pas op enkele meters opvliegen; dat trillende roepje is dan het startsein om ze te volgen tot waar ze weer neerkomen. Ze keren vaak naar dezelfde meters oever terug, dus loont het om te blijven staan in plaats van achterna te lopen. In het najaar zijn juvenielen in augustus het talrijkst, meestal alleen of met twee of drie.
Staat van instandhouding
Least Concern; de wereldpopulatie zit vrijwel geheel in Siberië en is groot en stabiel. De Europese rand van het areaal doet het slechter: de broedvogels langs de Zweedse en Finse kust van de Botnische Golf zijn sterk afgenomen door het dichtgroeien en verruigen van kwelders en door predatie, en in Fennoscandinavië krimpt het bezette gebied. Voor doortrekkers is het verlies van kleine, ondiepe zoetwatermoerassen langs de trekroute de belangrijkste zorg.
Andere soorten in deze familie
Oeverloper · Steenloper · Drieteenstrandloper · Bonte strandloper · Kanoet · Krombekstrandloper · Paarse strandloper · Kleine strandloper · Kemphaan · Watersnip · Rosse grutto · Grutto · Bokje · Wulp · Regenwulp · Rosse franjepoot · Grauwe franjepoot · Houtsnip · Zwarte ruiter · Bosruiter · Groenpootruiter · Witgat · Tureluur