Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Fluiter
Fluiter
Phylloscopus sibilatrix | Wood warbler | Mosquitero silbador
De fluiter is de grootste en de mooiste van onze boszangers, en de enige die volledig aan gesloten oud loofbos gebonden is. Wie half mei onder de beuken staat en die versnellende triller hoort wegrollen door de stammen, vergeet hem niet meer.
Geluid
De fluiter heeft twee volledig verschillende zangtypen en gebruikt ze door elkaar. Het eerste begint met een paar losse, tikkende aanloopnootjes die steeds sneller op elkaar volgen tot ze in een zinderende triller versmelten: sip … sip … sip-sip-sip-sip-sipsipsip-srrrrrrrrrr. Het klinkt precies als een muntje dat je op een marmeren tafelblad laat uittollen — eerst afzonderlijke tikken, dan een suizend geraas dat wegsterft. De hele strofe duurt drie tot vier seconden en wordt vaak in een kort baltsvluchtje afgeleverd, met trillende vleugels van tak naar tak. Het tweede type staat er los van: een reeks van vier tot acht identieke, klagende, langgerekte fluittonen, djuu … djuu … djuu … djuu, elk iets treuriger dan de vorige, met een halve seconde stilte ertussen. De roep is een zacht, wat vlak wiet, en bij onrust een hard tik. De zang loopt van de laatste dagen van april tot begin juli, is op zijn dichtst in de eerste twee weken van mei en klinkt de hele dag door, ook rond het middaguur wanneer de rest van het bos zwijgt.
Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groot en langgerekt voor een boszanger, met een korte staart en zeer lange vleugels: de handpenprojectie is ongeveer even lang als de tertials en de vleugelpunt reikt tot ver over de staartbasis. Het verenkleed is drieledig en dat is op afstand al te zien: helder geelgroen boven, felgeel op wenkbrauwstreep, keel en bovenborst, en daaronder abrupt sneeuwwit. De wenkbrauwstreep is lang, breed en citroengeel, met een donkere oogstreep eronder. De dekveren en tertials hebben groengele randen die een warme gloed op de vleugel geven; de poten zijn licht vleeskleurig tot geelbruin. Geslachten gelijk.
Verwarringssoorten
Fitis is kleiner en veel minder contrastrijk: bij de fitis loopt het geel diffuus door tot op de flanken, terwijl bij de fluiter een scherpe grens tussen gele borst en witte buik ligt; bovendien is de handpenprojectie van de fluiter langer en de staart korter. Tjiftjaf is compact, donkerpotig en zonder geel op de keel. De bergfluiter, in de Pyreneeën en Noord-Spanje, is grauwgroen zonder geel op keel of borst, heeft een gele stuit en een geelgroen vleugelpaneel en een heel andere, ratelende zang. Bladkoning is veel kleiner en heeft twee duidelijke vleugelstrepen.
Leefgebied
Oud, hoogopgaand en gesloten loofbos met een open, vrijwel kale bosbodem: beukenbos op hellingen, oude eikenbossen en beuken-eikenbos op arme zandgrond. Juist het ontbreken van een dichte struiklaag is essentieel, want de fluiter zingt en foerageert in de vrije ruimte tussen kroon en bodem en bouwt zijn overkoepelde nest tussen de strooisellaag. Hellingbos en bos met oude, gladstammige beuken hebben de voorkeur; jonge aanplant en dichtbegroeide bosranden worden gemeden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Noord-Spanje en de Pyreneeën tot in de Oeral, en overwintert in de vochtige bossen van equatoriaal Afrika. In Nederland een schaarse broedvogel van hooguit enkele honderden paren, geconcentreerd op de Veluwe, in Drenthe, op de Utrechtse Heuvelrug en in de hellingbossen van Zuid-Limburg, en de laatste decennia sterk afgenomen. In Spanje broedt de soort alleen in het noorden, in de beukenbossen van Navarra, de Pyreneeën en de Cantabrische bergen; verder is hij vooral een doortrekker die in augustus en september in kleine aantallen door het land schuift.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Half mei, in een oud beukenbos met een kale bodem, bij voorkeur op een helling; loop langzaam en blijf staan zodra je de eerste triller hoort. Anders dan bij de meeste zangvogels hoef je hier niet bij zonsopgang te zijn: de fluiter zingt tot diep in de ochtend en zelfs midden op de dag door. Zoek de vogel op ooghoogte tot zo'n tien meter, op een horizontale zijtak, en let op het klagende djuu, dat vaak van een andere vogel verderop komt en je zo een tweede territorium verraadt. Zuid-Limburg en de oude beukenpercelen van de Veluwe zijn de beste plekken van Nederland.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese trend is duidelijk negatief en in Noordwest-Europa is de afname fors; in Nederland staat de fluiter op de Rode Lijst. Verdichting van de struiklaag door stikstofdepositie, het verdwijnen van oud, gelaagd loofbos, verdroging en veranderingen in het Afrikaanse overwinteringsgebied worden als voornaamste oorzaken gezien. Sterke schommelingen tussen jaren, gekoppeld aan het aanbod van rupsen, horen bij de soort.

