Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Grijze wouw
Grijze wouw | Elanus caeruleus
Black-winged kite | Elanio común
De grijze wouw is de kleine, bleke roofvogel met rode ogen van het Iberische droge boerenland: wit van onder, parelgrijs van boven en met een zwarte schoudervlek die op een kilometer afstand al opvalt. Hij bidt als een torenvalk maar op wouwenvleugels, en sinds het eerste Europese broedgeval in Portugal in 1963 heeft hij zich over een half werelddeel verspreid.
Geluid
Een tamelijk zwijgzame vogel, zeker buiten de broedtijd. In het territorium een dun, wat nasaal fluitje, wieeh-a, rustig herhaald vanaf een uitkijkpost of in de vlucht, en tegen indringers een schor en afgebroken krie-krie-krie. In de balts en bij prooioverdrachten klinkt een hogere, snellere reeks, en jongen bedelen met een aanhoudend piepen dat op korte afstand het nest verraadt.
Opname: JMK — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Kleine roofvogel, ter grootte van een torenvalk maar veel breder en bleker van uiterlijk, met een grote, ronde kop en een korte, recht afgesneden staart. De adult is parelgrijs van boven en zuiver wit op kop, hals en alle onderdelen, met een grote zwarte schoudervlek die zittend de dekveren beslaat en in de vlucht een zwarte driehoek op de voorrand van de vleugel vormt. Het oog is diep koraalrood met een zwarte rand, en een korte zwarte streep loopt over de teugel; de snavel is zwart met een gele washuid, de poten zijn kort en geel. In de vlucht zijn de vleugels lang en tamelijk stomp, en bij het bidden worden ze in een hoge V gehouden; van onderen is de vogel wit met donkere handpenpunten. Het jeugdkleed is meteen herkenbaar: grijsbruin van boven met lichte veerzomen die een geschubd beeld geven, een vage oranjebruine borstband, een doffere schoudervlek en een donkerbruine tot amberkleurige iris, die pas na het eerste jaar diep rood wordt.
Verwarringssoorten
Met de zwarte wouw en de rode wouw is de gelijkenis er een van familie en niet van uiterlijk: beide zijn veel groter, met een losse, wiegende vlucht en een lange gevorkte staart — ondiep bij de zwarte, diep en roestrood bij de rode — en een bruin of roodbruin verenkleed zonder iets van het heldere wit van de grijze wouw. Een grijze wouw weegt een kwart van een rode wouw en heeft een korte, recht afgesneden staart; als de vogel die u bekijkt voortdurend met de staart bijstuurt, is het een wouw in de klassieke zin. De torenvalk is de echte valkuil, want die bidt langdurig boven hetzelfde droge boerenland en op dezelfde hoogte: maar hij is roodbruin, met een lange smalle staart, spitse vleugels en een snelle, nerveuze slag, terwijl de grijze wouw wit en grijs is, met brede stompe vleugels, een compact lijf en een korte staart, en bij het bidden de vleugels hoger houdt met een tragere, diepere slag om zich daarna met bungelende poten en steil opgeheven vleugels te laten zakken. Op afstand en tegen het licht is een mannetje blauwe kiekendief ook grijs met wit, maar dat is veel langer van vleugel en staart, heeft een witte stuit en een zwarte vleugelpunt in plaats van een schoudervlek, en zoekt laag het veld af in plaats van op één punt te bidden. Een verre meeuw bedriegt vaker dan men toegeeft; zodra de vogel bidt, is de zaak duidelijk. Bij het jeugdkleed kunnen de bruine schubben en de oranje borstband aan een torenvalk doen denken, maar de brede silhouet, de korte staart en de donkere schouder blijven staan.
Leefgebied
Open, droog boerenland met verspreide bomen: graanakkers op droge grond, braak en ruigte, dehesa's van steeneik en kurkeik, extensieve olijfgaarden, graslanden en perceelsranden met losse eiken of eucalyptussen. Hij heeft twee dingen tegelijk nodig: hoog gras met woelmuizen en muizen, en een boom of een draad om vanaf uit te kijken. Jaagt biddend op tien tot dertig meter en laat zich in twee etappes vallen, en verder loerend vanaf een paal of een leiding. Broedt in een klein takkennest in de kroon van een alleenstaande boom en kan in een goed muizenjaar twee of zelfs drie broedsels grootbrengen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een Afrikaanse en Aziatische soort die ook in Zuidwest-Europa broedt. Het eerste Europese broedgeval was in 1963 in Portugal; sindsdien bezet de soort een groot deel van de westelijke helft van het Iberisch schiereiland, met de kern in Extremadura en de Alentejo en verder verspreid in Andalusië, Castilla-La Mancha, Madrid, Castilla y León, Aragón, Catalonië en Baskenland; de Iberische stand wordt op meer dan duizend paren geschat. Sinds de jaren negentig koloniseert hij Frankrijk en broedt hij inmiddels tot in het noorden van dat land, met losse broedgevallen in Duitsland, Hongarije en Denemarken. In Nederland was hij een absolute zeldzaamheid — één geval tot en met 1979 en één tussen 1980 en 1999 — terwijl er nu enkele tientallen vogels per jaar worden gezien, zoveel dat de soort sinds 2022 niet meer beoordeeld hoeft te worden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in Extremadura of de Alentejo bij zonsopgang of in het laatste uur van de dag een landweg door graanland en dehesa en scan de draden, de palen en de losse boomkruinen: de grijze wouw zit hoog en in het volle zicht, en zijn wit valt van ver op. Ziet u een kleine roofvogel biddend boven een braakliggende akker, stop dan en kijk rustig: binnen een paar seconden ziet u of de staart lang en bruin is, van een torenvalk, of kort en wit, van een grijze wouw. Noordelijker, in Frankrijk of Nederland, loont het dezelfde open boerenlandschappen af te zoeken tussen mei en november.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in West-Europa duidelijk in areaal en aantal groeiend. In Spanje staat de soort in het rode boek als gevoelig en geldt zij als soort van bijzonder belang, omdat de populatie ondanks de groei klein blijft en aan een specifiek agrarisch landschap gebonden is. De belangrijkste bedreigingen zijn intensivering van de landbouw en het verdwijnen van perceelsranden en losse bomen, elektrocutie en aanvaringen met leidingen, verkeersslachtoffers — hij jaagt veel langs wegen — en vergiftiging die voor andere dieren is bedoeld.



