Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Kleine burgemeester

Kleine burgemeester

Larus glaucoides | Iceland gull | Gaviota polar

De zachte tegenhanger van de grote burgemeester: even wit in de vleugel, maar kleiner, ronder van kop en met een klein snaveltje. Op het water valt vooral de lange, spitse achterkant op, waar de vleugelpunten ver voorbij de staart steken.

Kleine burgemeester (Larus glaucoides)
Foto: Mike Pennington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hoger en dunner dan de grote burgemeester, dichter bij de zilvermeeuw maar ijler en gehaaster. In West-Europese havens vrijwel altijd zwijgzaam; de kans op geluid is het grootst bij ruzie om vis, met een schrille kekkerende reeks. In de kolonie op Groenland klinkt een lange lachroep van een rotsrichel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Adulte vogels hebben een middengrijze mantel, ongeveer als de zilvermeeuw, en volledig witte handpennen. De snavel is geelgroen met een rode gonysvlek, het oog bleekgeel met een donkerrode tot purperen oogring, de poten roze; in de winter is de kop zwaar gestreept. Eerstejaars vogels zijn romig wit tot licht beige met een fijne, vlekkerige tekening en een overwegend donkere snavel. Bouw en houding maken de soort: bolle kop, kort snaveltje, tengere borst en een opvallend lange vleugel die de vogel een uitgerekt achterlijf geeft.

Verwarrings­soorten

De grote burgemeester is de standaardverwarring, en formaat alleen brengt je er niet. Een klein vrouwtje grote burgemeester en een groot mannetje kleine burgemeester overlappen in maat; de bouw doet het werk. De kleine burgemeester is tenger en rond van kop, met een zachte uitdrukking, tegenover de zware, diepborstige en vlakkoppige grote burgemeester. Snavellengte en voorhoofd zijn de sleutel: hier een kort, fijn snaveltje met een nauwelijks zichtbare gonyshoek onder een steil oplopend voorhoofd, met een groot oog hoog in de kop; daar een lange, dikke snavel met een sterke gonyshoek onder een laag, vlak weglopend voorhoofd, met een klein oog ver naar voren. De handpenprojectie voorbij de staart is de betrouwbaarste maat op afstand: bij de kleine burgemeester steken de vleugelpunten verder uit dan de snavel lang is, vaak anderhalf tot twee snavellengtes, en op het water ligt de achterkant lang en spits; bij de grote burgemeester blijft de projectie korter dan de snavel. Bij eerstejaars vogels is de snavelpuntbegrenzing beslissend: de eerstejaars kleine burgemeester heeft een grotendeels donkere snavel met hooguit een vuil lichte basis en een diffuse grens, terwijl de eerstejaars grote burgemeester een roze snavel heeft met een messcherp, recht afgesneden zwart uiteinde. Let ook op de ondersoorten: adulte kumlieni hebben grijs pigment in de buitenste handpennen, van rookvlekken tot een grijze subterminale tekening, met vaak een donkerder iris, terwijl de nominaat glaucoides volledig ongetekend wit blijft; jonge kumlieni ogen doorgaans donkerder en grover getekend. De plaats van kumlieni blijft omstreden en Europese vogels zijn vrijwel altijd nominaat, dus wees terughoudend met de determinatie. Verder blijft een gebleekte of albinistische zilvermeeuw de klassieke valstrik: die houdt donkere schachten in de versleten, rafelige en half doorschijnende handpentoppen, terwijl een echte burgemeester schoon witte, gave veertoppen heeft, en de bouw, de snavelvorm en de pootkleur blijven die van een zilvermeeuw. Ten slotte lopen in IJslandse en Schotse havens kruisingen van zilvermeeuw en grote burgemeester rond, met bleke maar niet witte vleugelpunten en een tussenmaat snavel; die horen bij geen van beide burgemeesters.

Leefgebied

In de winter een vogel van visserijhavens, kades en sluisdrempels, van vuilstorten en van slikken en stranden waar visafval aanspoelt; hij bedelt achter kotters en rust op havenwater. Broedt op steile kliffen langs de Groenlandse fjorden en in de Canadese Arctis. Buiten die twee uitersten zit hij vooral boven zee, in het zog van de vloot.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van West- en Oost-Groenland en Arctisch Canada, in de winter uitzwermend over IJsland, de Britse eilanden en de Noordzee. IJsland is het bolwerk, met honderden vogels in de havens; Nederland telt jaarlijks enkele exemplaren en in Spanje is het een uitgesproken zeldzaamheid van de noordkust.

  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in februari of maart naar IJmuiden of de Eemshaven en scan het havenwater in plaats van de zwerm op het strand: een zwemmende kleine burgemeester verraadt zich door de lange, spitse achterkant die ver voorbij de staart reikt. Neem de tijd voor de kop, want de zachte uitdrukking en het kleine snaveltje zijn overtuigender dan het formaat.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een groot maar dunbevolkt broedareaal dat slecht te tellen is. Zorgen zijn er over de veranderende ijsbedekking rond Groenland, over de teruggang van visserijafval waar de winteraantallen in Noordwest-Europa op drijven, en over bejaging in delen van het broedgebied. Voor de Nederlandse waarnemer is de soort vooral een graadmeter voor strenge noordwestelijke winters.