Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Kuifmees
Kuifmees
Lophophanes cristatus | Crested tit | Herrerillo capuchino
De kuifmees is de enige Europese mees met een echte kuif, en daarmee de enige die je nooit hoeft te determineren. Hij is bovendien honkvast als weinig andere zangvogels: wie er in maart een vindt, weet waar hij in december moet zoeken.
Geluid
Het kenmerkende geluid is een laag, rollend en purrend trillertje, gurrrl-gurrrl, dat je vaker hoort dan de vogel ziet en dat door een sparrenbos snel te lokaliseren is. Daarnaast fijne, hoge contactroepjes zie-zie-zie die naadloos in de triller overgaan. Een echte zang ontbreekt vrijwel; de triller doet dienst als territoriumroep. Het hele jaar te horen, het meest van februari tot april en opnieuw als de zwermen zich in de nazomer vormen.
Opname: Alexander Kurthy — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Kleine, kortstaartige mees met een spitse, zwart-wit gespikkelde kuif die altijd overeind staat, ook in rust. De koptekening is het echte visitekaartje: een witte wang met een zwarte, sikkelvormige streep die van achter het oog naar beneden buigt en aansluit op een zwarte halsband, plus een klein zwart bibje onder de kin. Rug en vleugels zijn effen grijsbruin zonder vleugelstreep, de onderdelen vuilwit met een lichtbruine waas op de flanken. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels hebben een kortere, doffere kuif.
Verwarringssoorten
Geen enkele andere Europese mees heeft een kuif, dus de verwarring gaat vooral over silhouetten in tegenlicht of over geluid. De zwarte mees zit in hetzelfde naaldbos, is even klein, maar heeft een zwarte kop met witte nekvlek en twee witte vleugelstreepjes. Baardmannetjes en pimpelmezen komen door hun formaat wel eens in aanmerking, maar missen de kuif en de zwarte halsband volledig. Bij een gedeeltelijk zichtbare vogel hoog in een den is de gespikkelde kuif tegen de lucht het enige dat je nodig hebt.
Leefgebied
Naaldbos, en dan vooral oud grovedennenbos en sparrenbos met dood hout, plus gemengd bos met een flinke naaldcomponent. In Zuid-Europa ook in bergdennenbos en zelfs in kurkeik en beukenbos. Hakt zelf een nestholte uit in zacht, rottend hout van dode stammen en stronken, meestal laag boven de grond; nestkasten gebruikt hij zelden. Legt in het najaar voorraden aan van zaden en insecten, verstopt tussen schors en naalden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Midden-Scandinavië tot de Middellandse Zee, met een westgrens in Groot-Brittannië waar hij alleen in de Schotse pijnbossen voorkomt. In Nederland een schaarse tot vrij algemene standvogel van de Veluwe, Drenthe, Noord-Brabant en de duinen; buiten die bossen zie je hem zelden, want hij trekt vrijwel niet. In Spanje is hij juist wijdverbreid en algemeen in dennenbossen van de laagvlakte tot hoog in de Pyreneeën, de Sierra de Guadarrama en de Sierra Nevada.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in oud grovedennenbos, want daar zit hij en nergens anders. Loop in februari of maart langzaam en luister naar het rollende gurrrl; blijf staan zodra je het hoort en kijk in de bovenste helft van de dennen. In de winter reist hij mee in gemengde zwermen met zwarte mees, goudhaan en boomkruiper: als je zo'n zwerm treft, staan alle naaldbosspecialisten in vijf minuten op je lijst.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in Europa over het geheel stabiel. In Nederland is de soort licht toegenomen door de veroudering van de naaldbossen en het achterwege laten van houtoogst, maar hij blijft strikt gebonden aan bos met voldoende dood staand hout. Grootschalige omvorming van dennenbos naar loofbos werkt lokaal tegen hem.

