Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Lannervalk
Lannervalk | Falco biarmicus
Lanner falcon | Halcón borní
Een slanke, langgestaarte grote valk van droge, rotsige landschappen rond de Middellandse Zee. Hij jaagt laag en glijdend langs hellingen en over steppe in plaats van uit de hoogte te stoten, vaak in paren die samen op patrijzen en duiven drijven. In Europa is hij zeldzaam geworden; Sicilië herbergt het merendeel van de laatste paren.
Geluid
Bij de nestwand een schor, krassend krèh-krèh-krèh, lager en rauwer dan het felle geratel van de slechtvalk en trager uitgestoten. Tussen de partners daarnaast een klagend wiek. Vooral te horen van februari tot mei, wanneer paren boven de rotswand cirkelen en elkaar prooi aangeven.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer zo groot als een slechtvalk, maar duidelijk slanker gebouwd, met een langere staart, een smallere vleugelbasis en een rustiger, meer glijdende vlucht. Bovenzijde grijsbruin tot leibruin met een fijne dwarsbandering, onderzijde roomwit met kleine ronde vlekjes die zich naar de flanken en de broek toe verdichten. De kop geeft de doorslag: kruin en nek roestbruin — bij de bleke Noord-Afrikaanse vogels eerder roomkleurig — de wang wit, en de baardstreep smal en streepvormig. Waskleed en poten geel bij volwassen vogels. Jonge vogels zijn bruiner, met lengtestrepen in plaats van vlekjes en met blauwgrijze poten.
Verwarringssoorten
Slechtvalk: forser en compacter, met kortere staart en brede vleugelbasis, leigrijze bovenzijde en een brede zwarte baardstreep op een witte wang; zijn onderzijde is fijn dwarsgebandeerd, niet gevlekt. Sakervalk: groter en zwaarder, bruiner van boven, met een veel lichtere, bijna egaal roomwitte kop, nauwelijks een baardstreep en grove druppelvlekken op flanken en broek. Torenvalk is veel kleiner en lichter, bidt en heeft een rosse rug.
Leefgebied
Warme, open en droge landschappen met rots: kalkstenen kliffen, kloven en steile ravijnen, omgeven door schrale graslanden, garrigue, steppe en graanakkers. In Noord-Afrika en het Midden-Oosten reikt hij tot in halfwoestijn en woestijnrand. Broedt op een richel in de rotswand, soms in een oud nest van raaf of andere roofvogel, en in het zuiden ook op hoogspanningsmasten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In Europa alleen in het zuiden: Sicilië en Zuid-Italië, met kleine restpopulaties op de Balkan en in Turkije. Verder broedt hij door heel Noord-Afrika, in Arabië en de Levant, en door het grootste deel van Afrika tot ver ten zuiden van de Sahara. Standvogel; jonge vogels zwerven, maar van echte trek is nauwelijks sprake. In Nederland is de soort nooit als wilde vogel vastgesteld; wat er wordt gezien, gaat terug op ontsnapte vogels.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sicilië in maart en april, bij een kalkstenen kloof in het binnenland of een kustklif: ga op ruime afstand zitten en wacht de baltsvlucht boven de wand af. In Marokko en Tunesië is de kans veel groter; kijk daar in open steppe naar hoogspanningsmasten, palen en losse rotsblokken, waar hij graag zit uit te kijken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) dankzij het uitgestrekte Afrikaanse areaal, maar de Europese ondersoort staat er slecht voor: de hele Europese populatie werd recent op ongeveer 120 tot 170 paren geschat, waarvan het grootste deel op Sicilië. Verstoring bij de nestwand, het uithalen van nesten voor de valkerij, elektrocutie aan middenspanningslijnen en het verdwijnen van extensief begraasde steppe zijn de zwaarste factoren.




