Alle soortenNachtzwaluwachtigenNachtzwaluwen › Moorse nachtzwaluw

Moorse nachtzwaluw

Caprimulgus ruficollis | Red-necked nightjar | Chotacabras cuellirrojo

De moorse nachtzwaluw is de grootste nachtzwaluw van het westelijke Palearctische gebied en een van de kenmerkendste vogels van de Iberische zomernacht. Hij gaat graag zitten op rustige zandwegen en asfaltweggetjes, waar koplampen zijn ogen als twee rode gloeikooltjes oplichten.

Moorse nachtzwaluw (Caprimulgus ruficollis)
Foto: Olivença — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een mechanisch, herhaald kloppen, kutok kutok kutok, alsof iemand ver weg hout hakt of een bal op steen laat stuiteren; het gaat minutenlang door en wisselt in sterkte naarmate de vogel zijn kop draait. Het heeft niets van het aanhoudende, snorrende errrrrrrrr van de gewone nachtzwaluw. In de balts klinkt bovendien een droge klap wanneer de vleugels boven de rug tegen elkaar slaan.

Luister: Kloppende zang van het mannetjeXC431983

Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Ongeveer vijftien procent groter dan de gewone nachtzwaluw en opvallend bleker en zandkleuriger, met fijne kriebeltekening op een lichtgrijze ondergrond. Doorslaggevend is de roodbruine halskraag over nek en halszijden, warmer en verzadigder dan enige tint bij de gewone soort, samen met een scherp afgetekende witte keelvlek. De witte punten op de drie buitenste handpennen en aan de staarthoeken zijn bij beide geslachten aanwezig; bij het vrouwtje zijn ze wat doffer en vager begrensd. Vleugels en staart zijn lang, de vlucht is traag, verend en geluidloos.

Verwarrings­soorten

De gewone nachtzwaluw is de enige echte verwarringssoort: kleiner, grijzer en donkerder, zonder roodbruine halskraag, en met wit in de handpennen en de staarthoeken alleen bij het mannetje — bij het vrouwtje ontbreekt dat wit volledig. Het geluid scheidt de twee onmiddellijk: een aanhoudend snorren bij de gewone nachtzwaluw, een herhaald kloppen bij de moorse. In midden-Spanje, waar beide voorkomen, let je dus op de kraag en op de algemene toon van het verenkleed.

Leefgebied

Droge, warme, vlakke mediterrane terreinen: struweel van cistus, mastiek en brem, open pijnboombos op zandgrond, garrigue, uitgedunde dehesa, droge beddingen en stenige vlaktes, en de randen van olijf- en amandelgaarden. Rust overdag op de grond of languit op een lage tak, en jaagt op nachtvlinders en kevers boven open plekken, brandgangen en wegen, waar de kale ondergrond het jagen vergemakkelijkt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt vrijwel uitsluitend op het Iberisch schiereiland en in de Maghreb. In Spanje bezet hij de zuidelijke en oostelijke helft en ontbreekt hij in het vochtige noorden; hij arriveert tussen eind maart en mei en vertrekt tussen half augustus en half oktober, om te overwinteren in de Sahelzone van tropisch West-Afrika. In Nederland is de soort niet vastgesteld: hij trekt zuidwaarts weg en verschijnt vrijwel nooit boven Noordwest-Europa. Er zijn maar twee aanvaarde noordelijke gevallen, Northumberland in oktober 1856 en Denemarken in 1991, beide van de Iberische ondersoort.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd tussen mei en juli in Doñana, de Sierra de Andújar of de vlakten van Extremadura langzaam over een zandweg of secundaire weg, vanaf een uur na zonsondergang: de vogels zitten dan op het nog warme wegdek en de koplampen vangen de rode weerschijn van hun ogen. Zet daarna de motor af en luister; het kloppen van het mannetje draagt enkele honderden meters.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). In Spanje lopen de aantallen langzaam terug door schaalvergroting in de landbouw, verlies van struweel en van grote insecten, en vooral door aanrijdingen: de gewoonte om op warm asfalt te rusten maakt de soort zeer kwetsbaar voor nachtelijk verkeer. Langzaam rijden op landwegen in de zomer is de eenvoudigste maatregel in zijn voordeel.