Alle soortenPelikaanachtigenReigers › Groene reiger

Groene reiger

Butorides virescens | Green heron | Garcita verdosa

De groene reiger is een kleine, gedrongen Amerikaanse reiger, nauwelijks groter dan een woudaapje, die ineengedoken langs de waterkant jaagt met de hals ingetrokken. In Europa is het een van de zeldzaamste Amerikaanse dwaalgasten, en vrijwel elk geval betreft één stille vogel bij een beschutte plas, kreek of haven.

Groene reiger (Butorides virescens)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zittend meestal stil. Bij het opvliegen een explosief, klagend kjauw of skjeeuw, het geluid dat Europese waarnemers doorgaans horen; een onrustige vogel voegt er een lage, klokkende reeks kuk-kuk-kuk aan toe. Bij het nest maken mannetjes een schor raah-rah en een hol, ver dragend woem-woem-woem, maar dat is een geluid van Amerikaanse moerassen en niet van een dwaalgast bij ons.

Luister: RoepXC469642

Opname: Audrey Plassio — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein en compact, met korte poten, een dikke hals die meestal ingetrokken wordt gedragen en een lange, zware, dolkvormige snavel, zwartig boven en geelachtig onder. De adult heeft een glanzend donkergroenblauwe kruin, die bij opwinding als een ruige kuif overeind komt, en een diep kastanjebruine hals en halszijde met een witte lijn midden over de keel. De bovendelen zijn blauwgrijs met groene glans, de dekveren netjes lichtbeige omzoomd. Poten geel tot oranje, in de balts feloranjerood; teugels geel. Juveniel is bruiner, met grove beige en bruine streping op hals en onderdelen en roestige vlekken langs de dekveerranden. In vlucht rondgevleugeld en kortnekkig, met de tenen net voorbij de staart.

Verwarrings­soorten

De mangrovereiger is het echte probleem: de twee worden pas sinds de jaren negentig als aparte soorten behandeld en hebben dezelfde vorm. Bij adulte vogels beslist de hals — diep kastanjebruin bij de groene reiger, grijs tot grijsbeige bij de mangrovereiger. Jonge vogels zijn lastiger, maar een jonge groene reiger is warmer en roestiger op de dekveren. Het woudaapje is kleiner en toont een groot bleek dekveerpaneel tegen zwarte slagpennen, wat een Butorides nooit laat zien. Een jonge kwak is veel groter en breder gevleugeld, met grote witte druppelvlekken in plaats van fijne roestige zomen. De ralreiger laat bij het opvliegen meteen witte vleugels zien.

Leefgebied

Beschut zoet en brak water met begroeiing tot aan de waterlijn: plasoevers en slootkanten, beboste kreken, randen van spaarbekkens, wilgen- en mangrovezomen en havenkommen. Jaagt alleen, ineengedoken op een lage tak, een drijvende stam of een meerpaal, en is een van de weinige vogels die met aas vist: hij legt een veertje, een insect of een stukje brood op het water en grijpt wat komt kijken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

De soort broedt in Noord- en Midden-Amerika en het Caribisch gebied; noordelijke vogels trekken in september en oktober zuidwaarts, en juist dan waaien er enkele de oceaan over. In ons gebied is hij een echte zeldzaamheid. Verreweg de meeste waarnemingen komen van de Azoren, met vogels in de meeste jaren op Corvo, Flores, Terceira en São Miguel. Nederland heeft één aanvaard geval: een vogel die tussen 2006 en 2009 telkens terugkeerde bij Amsterdam en Zaanstad en de winter in de Camargue doorbracht. Verder losse gevallen uit IJsland, Ierland, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Canarische Eilanden.

Waar en wanneer kijken

Zoek de beschutte randen af — een rietkraag in een plashoek, een beekmonding, een havenkade met overhangende begroeiing — in het eerste en laatste uur licht, als de vogel zijn zitplaats verlaat om te foerageren. Hij zit laag en roerloos en wordt makkelijk over het hoofd gezien, dus speur de waterlijn zelf af en niet het open water, en kijk elke kleine donkere reiger die met een scherpe blafroep opvliegt twee keer na. Op de Azoren is oktober de maand.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). De Noord-Amerikaanse populatie is groot, al is de soort in delen van het oosten dunner geworden doordat beboste plasoevers en kleine moerasjes worden drooggelegd of opgeruimd. Voor ons gebied heeft hij geen eigen beschermingsbelang: hij verschijnt hier alleen als toevallige dwaalgast, en het aantal gevallen hangt vooral af van het najaarsweer boven de Noord-Atlantische Oceaan.