Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Oosterse vorkstaartplevier
Oosterse vorkstaartplevier
Glareola maldivarum | Oriental pratincole | Canastera oriental
De Aziatische tegenhanger van onze vorkstaartplevier, en de lastigste van de drie om op naam te brengen. Hij jaagt als een grote zwaluw boven drassig land, met lange puntige vleugels, en zit daarna languit op de kale grond alsof hij daar hoort.
Geluid
Een hard, sternachtig tsjik-tsjik en een ratelend kirri-kirri, bijna altijd in de vlucht en vaak in koor als een groepje opvliegt. Het geluid is scherper en droger dan het geluid van de gewone vorkstaartplevier, maar het verschil is te klein om er een determinatie op te bouwen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Bovendelen olijfbruin, buik wit, met een oranjebruine gloed op de onderborst die naar de flanken toe vervaagt. De keel is warm okerbeige en scherp omlijst door een smalle zwarte rand; de snavelbasis is rood, de rest van de snavel zwart. De stuit is wit en de staart zwart met een ondiepe vork. Belangrijk is de vleugel-staartverhouding in rust: de vleugelpunten steken duidelijk voorbij de staartpunt uit. In vlucht is de ondervleugel kastanjebruin en ontbreekt de witte achterrand van de vleugel.
Verwarringssoorten
Tegenover de gewone vorkstaartplevier gaat het om staartlengte en achterrand: bij die soort reiken de staartpennen tot aan of voorbij de vleugelpunten en heeft de arm een duidelijke witte achterrand, die bij de oosterse ontbreekt. De ondervleugel is bij beide kastanjebruin en helpt daar dus niet. Tegenover de steppevorkstaartplevier is het juist de ondervleugel die beslist: die is bij de steppevariant zwart, bij de oosterse kastanjebruin, terwijl beide de witte achterrand missen. Let bovendien op de keelrand: bij de oosterse is de keel oranje-oker met een smalle, scherp getrokken zwarte omlijsting, bij de gewone romiger geel met een fijnere rand, en bij de steppevorkstaartplevier bleker met een zwaardere rand en zonder witte oogring.
Leefgebied
Broedt op kale, opdrogende vlaktes: zilte steppes, drooggevallen meeroevers, rivierbeddingen en braakliggende akkers, altijd met open zicht en nauwelijks vegetatie. Buiten de broedtijd jaagt hij boven rijstvelden, natte graslanden en slikken, in enorme groepen achter zwermen insecten aan. Vogels die in Europa opduiken worden meestal gevonden op een kale plas- en drasplek of een pas geploegde akker naast water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Pakistan en Noord-India oostwaarts door China tot Mantsjoerije en de Filipijnen; de winter wordt doorgebracht in Zuidoost-Azië en Noord-Australië. Hoe talrijk de soort is bleek in februari 2004, toen op Eighty Mile Beach in West-Australië ruim tweeënhalf miljoen vogels bij elkaar zaten. In Europa is het een grote zeldzaamheid; de eerste Nederlandse vogel, in 1997, werd aanvankelijk voor een gewone vorkstaartplevier aangezien.
Waar en wanneer kijken
Elke vorkstaartplevier in Nederland verdient een controle op staartlengte en achterrand, want de drie soorten worden hier geregeld door elkaar gehaald. Fotografeer de vogel in vlucht als het even kan: één opname van de onderzijde met de arm scherp beslist tussen kastanjebruin en zwart, en één opname van de zittende vogel legt de vleugel-staartverhouding vast. Kijk in mei en juni op ondiepe plassen en inlagen, waar de vogel zich als donker streepje op de kale rand voegt bij kluten en kleine plevieren.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een populatie in de miljoenen, maar de trend is dalend. De belangrijkste druk komt van de omzetting van seizoensmoerassen en drooggevallen meeroevers in intensieve landbouw, en van het gebruik van insecticiden in de overwinteringsgebieden, waar de vogels vrijwel volledig van vliegende insecten leven.



