Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Vorkstaartplevier
Vorkstaartplevier
Glareola pratincola | Collared pratincole | Canastera común
Een steltloper die jaagt als een stern en rust als een plevier. Boven zilte vlaktes, rijstvelden en drooggevallen meeroevers vangt hij insecten in de lucht, op lange puntige vleugels en met een diep gevorkte staart. Zodra hij landt drukt hij zich plat tegen de opgedroogde klei en is hij op honderd meter niet meer terug te vinden.
Geluid
Luidruchtig, en het geluid verraadt hem eerder dan het oog. De roep is een scherp, ratelend kik-kik-kirrik dat het meest aan een stern doet denken; boven een kolonie houden rondcirkelende vogels een aangehouden kjerrr vol. In de avondschemering, als de groep uitzwermt over het omliggende land, draagt dat geluid honderden meters ver.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Bovendelen egaal olijfbruin zonder tekening, buik wit, borst warm beige dat naar de flanken toe vervaagt. De keel is roomkleurig en scherp omlijst door een dunne zwarte band; de snavel is zwart met een rode basis en de oogring is wit. De poten zijn kort en zwart. In rust reiken de staartpennen tot aan of net voorbij de vleugelpunten. In vlucht steekt de witte stuit af tegen de zwarte staart, en is de ondervleugel kastanjebruin met een smalle witte achterrand langs de armpennen.
Verwarringssoorten
Alles draait om de vlucht. De ondervleugel is kastanjebruin; bij de steppevorkstaartplevier (Glareola nordmanni) is die zwart. Langs de achterrand van de arm loopt een dunne maar duidelijke witte lijn, en die ontbreekt bij zowel de steppe- als de oosterse vorkstaartplevier (Glareola maldivarum). Geen van beide punten is op een zittende vogel te beoordelen. Wat de zittende vogel wel geeft is de staartlengte: bij de vorkstaartplevier halen de staartpennen de vleugelpunten, bij de andere twee blijven ze eronder.
Leefgebied
Kale zilte vlaktes met korte of geen begroeiing, opdrogende meeroevers, zoutpannen en de dijkjes tussen rijstvelden. Broedt in losse kolonies op de blote grond, vaak op een opgedroogde slikplaat, een zoutkorst of een braakliggende akkerhoek naast water. Foerageert vliegend boven grasland, rijstvelden en zilte moerassen, tot kilometers van de kolonie, en is het actiefst bij zonsopgang en in de schemering.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika, oostwaarts tot Centraal-Azië; de Europese vogels overwinteren in de Sahel. De zwaartepunten liggen in Zuid-Spanje, de Ebrodelta, Zuid-Frankrijk, Italië, Griekenland en Turkije. Nederland telt enkele tientallen aanvaarde gevallen, verspreid over mei tot augustus, vrijwel altijd één vogel boven een plas-drasgebied of een pas gemaaid grasland.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk in mei en juni op ondiepe plassen, inlagen en plas-drasgebieden, en controleer elke grote zwaluwachtige vogel die daar boven jaagt. Wacht op een lage doorkomst en fotografeer de open ondervleugel: kastanjebruin of zwart beslist de determinatie, en de witte achterrand langs de arm is het tweede punt. Eén scherpe vluchtopname weegt zwaarder dan een halve dag achter een zittende vogel aan.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Europa lopen de aantallen terug. De knelpunten zijn het verdwijnen van seizoensmoerassen en zilte vlaktes, grondbewerking en maaien van rijstvelden midden in het broedseizoen, vertrapping van nesten door vee, en het gebruik van insecticiden, dat het voedsel wegneemt van een vogel die volledig van vliegende insecten leeft.



