Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Ransuil
Ransuil
Asio otus | Long-eared owl | Búho chico
De ransuil is waarschijnlijk de talrijkste uil van Nederland en tegelijk de minst geziene: overdag zit hij roerloos en langgerekt tegen een stam, en pas als de zon onder is jaagt hij boven het weiland. In de winter verzamelt hij zich op vaste roestplaatsen, soms midden in een dorp.
Geluid
Het territoriumgeluid van het mannetje is een zacht, laag en volstrekt monotoon hoe … hoe … hoe, ongeveer één toon per twee tot drie seconden, dat verrassend ver draagt maar zo diep is dat je het gemakkelijk mist; te horen van februari tot april in de vroege nacht. Belangrijker voor vogelaars is het bedelgeluid van de jongen: van eind mei tot ver in juli roepen uitgevlogen jongen de hele nacht een hoog, klagend, piepend psieeh … psieeh, alsof er een roestige tuinpoort openzwaait. Dat geluid draagt honderden meters en is verreweg de betrouwbaarste manier om een broedgeval te vinden — loop op een windstille juniavond langs een bosrand of een dorpsrand en luister. Bij de nestplaats klapt de vogel bovendien met de vleugels onder het lijf, en het vrouwtje kan een blaffend, nasaal wek-wek geven.
Opname: Benjamin Mayer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Een middelgrote, slanke uil met lange, opvallende oorpluimen die hij bij onrust rechtop zet en in vlucht platlegt. Het verenkleed is warm roestbruin met dichte, fijne donkere lengte- en dwarstekening, waardoor hij tegen schors bijna verdwijnt. De ogen zijn oranjerood en de gezichtssluier is roestkleurig met een zwarte streep die van het oog naar de snavel loopt, wat een verbaasde, wat scheve blik geeft. In vlucht: lange, vrij smalle vleugels, een okergeel veld op de basis van de handpennen, een minder scherp afgetekende donkere polsvlek dan bij de velduil en een streping die tot in de buik doorloopt. De vlucht is soepel en zacht, met snellere slagen en kortere glijstukken dan bij de velduil. In alarm rekt hij zich uit tot een dunne, rechtopstaande paal — dat is het beeld dat je op een roestplaats te zien krijgt.
Verwarringssoorten
De velduil is de belangrijkste verwarringssoort en het verschil is met wat oefening goed te zien: velduil is bleker en zandkleuriger met gele ogen, een wit gezicht met zwarte oogringen, een scherp afgetekende zwarte polsvlek en een borststreping die op de buik ophoudt; de ransuil is warmer roestbruin, heeft oranje ogen en een streping die de hele buik doorloopt. Velduil jaagt vaak overdag en zeilt met stijve, opgeheven vleugels; ransuil is nachtelijk en slaat sneller en losser. De bosuil is korter, ronder en veel forser, mist oorpluimen, heeft zwarte ogen en een ronde kop. De oehoe is enorm en heeft oranje ogen in een zwaar gebouwde kop. Een zittende ransuil met platgelegde oren kan verder op een bosuil lijken; kijk dan naar de oogkleur en de slanke, rechtopstaande houding.
Leefgebied
Kleinschalig landschap: bosjes, houtwallen, singels, boerenerven, parken, begraafplaatsen en dennenbosjes naast open grasland of akkers. Broedt niet zelf maar gebruikt oude nesten van eksters en kraaien. Jaagt vrijwel uitsluitend op veldmuizen boven open terrein, zwevend en biddend laag over de vegetatie. In de winter kiest de soort vaste gezamenlijke roestplaatsen in dichte coniferen, klimop of leilinden, geregeld midden in een dorpskern, met soms tientallen vogels in één boom.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van vrijwel heel Europa, van Spanje tot Scandinavië en Rusland; noordelijke vogels trekken naar het zuidwesten. In Nederland wijdverbreid maar onopvallend, met de nadruk op de zandgronden, het rivierengebied en het kleinschalige boerenland, en met bekende winterse roestplaatsen in dorpen als Zeewolde en op tal van erven en begraafplaatsen. In Spanje broedt hij verspreid in de noordelijke helft en in de bergbossen, en in de winter komen daar vogels uit Midden- en Noord-Europa bij, tot in de olijfgaarden en dennenbosjes van het zuiden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Twee momenten werken. Zoek in december en januari een bekende winterroest in een dorp of op een erf — vraag lokale vogelaars, want de plekken zijn vaak jarenlang dezelfde — en kijk aan het eind van de middag omhoog in de conifeer of de klimopbegroeide muur: braakballen en witte spatten op de grond verraden de boom. En loop op een windstille avond in juni of juli langs een bosrand of erf en luister naar het piepende bedelgeluid van de jongen; dat is de manier waarop de meeste ransuilen in Nederland gevonden worden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar in West-Europa gaat de soort achteruit. De belangrijkste oorzaken zijn het verdwijnen van muizenrijke, kruidenrijke graslanden en akkerranden, het opruimen van houtwallen en erfbeplanting en de sterke concurrentie en predatie door de toegenomen havik en bosuil. Ook rodenticiden in de muizenbestrijding spelen een rol. Doordat ransuilen zo onopvallend zijn, worden trends vaak pas laat opgemerkt; het tellen van winterroestplaatsen is daarom een belangrijk hulpmiddel.





