Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Roek
Roek
Corvus frugilegus | Rook | Graja
De roek is de sociale kraai: hij broedt in kolonies, foerageert in groepen en slaapt met honderden tegelijk in een bosje. Het kale, vuilwitte gezicht van de volwassen vogel is zijn handtekening — en precies dat kenmerk ontbreekt bij zijn eigen jongen.
Geluid
Het geluid van de roek is het geluid van zijn kolonie: een aanhoudend, hees en nasaal kaah kaah, hoger en vlakker dan de kraai en zonder het schrapende einde, dat door tientallen vogels tegelijk boven het bosje hangt. Daarnaast een kort kèh in de vlucht en een zacht gekwebbel bij het nest. De kolonie is het luidst van februari tot in mei, vanaf de eerste schemer; in de winter hoor je hetzelfde koor boven de slaapplaatsen.
Opname: Vladimir Yu. Arkhipov, Arkhivov — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Iets slanker dan de zwarte kraai, met een purperblauwe glans op kop en mantel. De snavel is lang, recht en spits, met een grijswitte, kale huid rondom de basis die tot onder het oog doorloopt. De achterkruin heeft een duidelijke piek, de voorkop loopt steil op, en de losse dijbevedering geeft de indruk van een wijde broek. In de vlucht ogen de vleugels smaller en spitser dan bij de zwarte kraai, met een licht gevorkte tot afgeronde staart en een dieper, wat losser vleugelbeeld.
Verwarringssoorten
De zwarte kraai is compacter, met een zwaardere en meer gebogen snavel, een volledig bevederde snavelbasis, een platte kruin en strak aanliggende dijbevedering. De grote valkuil zijn jonge roeken: die hebben in hun eerste jaar nog een volledig bevederde snavelbasis en lijken dan sterk op een zwarte kraai. Ga dan af op de spitse, rechte snavel, de steile voorkop met piek, de dijbroek en het feit dat ze bijna altijd in gezelschap van volwassen roeken zitten. De kauw is veel kleiner met een grijze nek; de raaf veel groter met een wigstaart.
Leefgebied
Open cultuurlandschap met verspreide hoge bomen: akkers, weiland, kruidenrijke bermen en dorpsranden. Broedt in kolonies van tien tot honderden nesten in de kruinen van populieren, iepen, eiken en linden, vaak midden in een dorp of langs een weg. Foerageert lopend op korte vegetatie en pas bewerkte akkers, waar hij met de spitse snavel diep in de grond prikt naar emelten en ritnaalden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van vrijwel heel Midden- en Noordwest-Europa. In Nederland een algemene standvogel met kolonies in zowat elke gemeente, aangevuld met grote aantallen wintergasten uit het oosten. In Spanje broedt de soort alleen in een klein gebied in de provincie León, in de valleien van Torío, Bernesga, Esla en Órbigo, met daarnaast een recente vestiging bij Figueres; in de rest van het land is hij een schaarse wintergast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga eind februari of in maart bij zonsopgang naar een kolonie in een dorpskern en blijf tien minuten staan: het geluid, het slepen met takken en de ruzies om nestmateriaal geven een compleet beeld. Zoek in juni en juli in dezelfde groepen naar de jongen zonder kale snavelbasis; wie ze daar leert kennen, laat zich er in het najaar niet meer door vangen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar in West-Europa duidelijk afgenomen sinds de jaren zeventig door het verdwijnen van grasland, intensiever akkerbeheer en het verwijderen van kolonies bij overlast. In Nederland herstelde de stand na het verbod op de bestrijding, maar de aantallen zijn de laatste decennia weer teruggelopen. Het lot van de soort hangt aan twee dingen: oude, hoge bomen om in te broeden en kort grasland om in te foerageren.



