Alle soorten › Zangvogels › Kraaiachtigen › Zwarte kraai
Zwarte kraai
Corvus corone | Carrion crow | Corneja negra
De zwarte kraai is de kraai zonder kenmerken: helemaal zwart, zonder kale snavelbasis, zonder grijze mantel, zonder kuif. Juist die kenmerkloosheid maakt hem tot de meetlat waarlangs je elke andere zwarte vogel legt. Wie hem echt kent, herkent de rest van de familie op verschil.
Geluid
Een hard, schrapend kraaa kraaa kraaa, meestal in series van drie of vier met gelijke tussenpauzes, vaak met een bijbehorende buiging van de hele voorkant van het lichaam. Daarnaast een dof klok-klok tussen partners, een kort ratelend alarm en, in het voorjaar, een zacht en verrassend gevarieerd gemompel bij de nestboom. Het hele jaar te horen, het luidst bij territoriumruzies in maart en april.
Opname: Sander Pieterse — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Forse, gedrongen kraai van 44 tot 51 centimeter, geheel zwart met een groenblauwe glans die alleen in vol licht opvalt. De snavel is zwaar en licht gebogen, met een duidelijk bevederde basis: de neusveertjes lopen tot ver over de bovensnavel. Het oog is donker, de kop plat van bovenaf, de kruin zonder piek. In de vlucht valt de rechte, ondiepe vleugelslag op, de vrijwel rechte achterrand van de vleugel en de kort afgeronde staart. Jonge vogels zijn doffer, met een bruinige waas en een blauwgrijs oog dat in het eerste najaar donker wordt.
Verwarringssoorten
De roek is slanker, met een spitsere, rechtere snavel en bij volwassen vogels een kale, vuilwitte snavelbasis; hij oogt hoogpotig, met een piek op de achterkruin en losse dijbroek. Let op: jonge roeken hebben die kale snavelbasis nog niet en zijn tot ver in hun eerste winter het echte struikelblok — kijk dan naar de spitse snavel, de steilere kop en het gezelschap waarin de vogel zit. De kauw is veel kleiner, met een grijze nek en een lichtgrijs oog. De raaf is fors groter, met een wigvormige staart en een diep krok. In Oost- en Zuidoost-Europa vervangt de bonte kraai deze soort; hybriden met grijze vlekken komen in de smalle contactzone voor.
Leefgebied
Vrijwel elk open of halfopen landschap met bomen: akkers, weiden, houtwallen, uiterwaarden, duinen, vuilstorten, snelwegbermen, stadsparken en woonwijken. Broedt solitair in een grote takkenkorf hoog in een boom of mast, altijd op ruime afstand van het volgende paar. Foerageert alleseter: wormen, insecten, eieren en jongen, aas, noten, graan en menselijk afval.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van West- en Midden-Europa, van Ierland en Schotland tot de Alpen en Noord-Italië. In Nederland jaarrond zeer algemeen, van het wad tot de binnensteden. In Spanje is de soort beperkt tot het noorden: de Cantabrische kust, Galicië, de Pyreneeën en de noordelijke Meseta; in Andalusië en langs de Middellandse Zee ontbreekt hij vrijwel. Naar het oosten toe loopt de verspreiding via een smalle hybridezone over in die van de bonte kraai.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in maart een broedpaar in een rij populieren langs een dijk en kijk hoe de vogel bij het roepen zijn kop en borst diep laat zakken. Wil je de kraaiachtigen naast elkaar zien, ga dan in de winter naar een pas geploegde akker met een gemengde groep: kauwen lopen kwiek en klein tussen de roeken, en de zwarte kraaien staan er meestal in tweeën apart van de rest.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in het grootste deel van Europa stabiel tot toenemend, geholpen door de opmars naar steden en dorpen. In Nederland en Vlaanderen is hij een gewone broedvogel, al wordt hij in het kader van faunabeheer nog steeds bejaagd. Lokale schommelingen hangen samen met dat beheer en met het aanbod van aas en afval.




