Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Ruigpootbuizerd
Ruigpootbuizerd
Buteo lagopus | Rough-legged hawk | Busardo calzado
De ruigpootbuizerd is de arctische neef van de buizerd die in de winter naar open, muizenrijke polders en kwelders komt. Hij is bleker, langer gevleugeld en vooral herkenbaar aan zijn onvermoeibare bidvlucht.
Geluid
In de winterkwartieren meestal stil. Bij ruzie met buizerds of kraaien laat hij een langgerekt, klagend pieeee-joe horen, magerder, hoger en nog kattigder dan het bekende miauwen van de buizerd. Kans erop is klein en beperkt zich tot territoriale schermutselingen bij goede jachtvelden; op de arctische broedplaats is de soort veel luidruchtiger.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slanker en langer van vleugel en staart dan een buizerd, met een bleke kop en borst. Doorslaggevend is de staart: helder wit aan de basis, met een scherp afgetekende brede donkere eindband — bij vrouwtje en juveniel één band, bij het adulte mannetje meerdere smallere banden. Daarnaast een donkere, vaak vrijwel zwarte buikvlek die scherp tegen de lichte borst afsteekt, en grote zwarte polsvlekken op een overwegend witte ondervleugel. Juveniel heeft een diffusere, breed uitlopende staartband, een egaler donkere buikvlek en een lichte iris. Bidt langdurig op een vaste plek in de wind, hoger dan een buizerd, en zeilt met de vleugels in een ondiepe V.
Verwarringssoorten
De buizerd is de enige echte verwarringssoort en is enorm variabel, dus werk het rijtje af. Stuit en staartbasis: bij de ruigpootbuizerd zuiver wit met scherpe zwarte eindband, bij de buizerd fijn gebandeerd en vaak roodbruin doorschoten, zonder dat contrast. Buikvlek: bij de ruigpoot een compacte donkere schort die tegen een lichte borst afsteekt, bij bleke buizerds eerder een onderbroken donkere band over de flanken. Polsvlekken: bij de ruigpoot groter, zwarter en scherper begrensd. Bidden: de buizerd bidt kort en laag, vaak stuntelig; de ruigpootbuizerd hangt minutenlang op tien tot dertig meter hoogte stil in de wind, en dat gedrag alleen is bij een verre vogel al een sterke aanwijzing. Ook de blauwe kiekendief jaagt hier laag over dezelfde velden, maar die is veel smaller gevleugeld, met een lange smalle staart en een witte stuit zonder eindband.
Leefgebied
Uitgestrekt open land zonder opgaande begroeiing: kwelders, jonge polders, ruige akkers, drooggevallen slikken, duinvalleien en zeedijken. Jaagt vrijwel uitsluitend op woelmuizen, biddend of vanaf een paal, een hooibaal of gewoon vanaf de grond. Broedt op de toendra en op rotsrichels in Noord-Scandinavië en Rusland.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Wintergast uit Fennoscandinavië en Noord-Rusland. In Nederland vooral in het Waddengebied en de jonge polders: Lauwersmeer, de Waddeneilanden, de Groningse en Friese kwelders, Flevoland en de Oostvaardersplassen. De aantallen wisselen sterk van jaar tot jaar en volgen de lemming- en muizencycli in het noorden; in een goed jaar zitten er tientallen, in een slecht jaar nauwelijks één. In Spanje is de soort een uitgesproken dwaalgast, met slechts een handvol aanvaarde gevallen, vrijwel alle in het noorden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga tussen eind november en februari op een winderige dag naar een groot open gebied als het Lauwersmeer of de kwelders van Terschelling en Texel: juist met wind bidt de vogel het langst en het meest opvallend, en dan pik je hem uit de aanwezige buizerds. Scan verder de palenrijen en hooibalen langs de akkers en let op elke buizerd die opvliegt — de witte staartbasis met zwarte band is bij het wegvliegen vaak de bevestiging.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar het aantal overwinteraars in Noordwest-Europa is de laatste decennia duidelijk afgenomen. De sterke jaarlijkse schommelingen maken trends lastig te lezen; vermoedelijk spelen veranderende knaagdiercycli in het Arctisch gebied en zachtere winters, waardoor vogels minder ver zuidwaarts hoeven te trekken, allebei een rol.



