Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Tapuit
Tapuit
Oenanthe oenanthe | Northern wheatear | Collalba gris
De tapuit is de vogel van kale grond: duinvalleien, geplagde heide, stuifzand en steenhellingen, waar hij rechtop op een kluit of een steen staat en met een korte, lage vlucht naar de volgende post schiet. Als Nederlandse broedvogel is hij binnen twee generaties bijna verdwenen; als doortrekker is hij nog elk voorjaar en najaar op de kust te vinden.
Geluid
De zang is een korte, haastige strofe van harde, krassende en piepende tonen met tussendoor heldere fluitjes en vaak wat spot van andere soorten, meestal vanaf een steen of in een korte zangvlucht met fladderende vleugels. De roep is het handelsmerk en verklaart de naam: een hard, steenachtig tsak of tak-tak, alsof twee kiezels tegen elkaar tikken, vaak voorafgegaan door een dun, opgaand hwiet. Te horen van maart tot in augustus, en op trek ook los van de zang.
Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Slank, langbenig en kortstaartig, altijd rechtop en voortdurend knikkend. Het staartpatroon in vlucht is het kenmerk waar je het van moet hebben, want vaak zie je niets anders: een breed, helder wit vlak op de stuit en de staartbasis, met daaronder een zwarte omgekeerde T, gevormd door een brede eindband en een smalle middenstreep. Het mannetje in zomerkleed heeft een blauwgrijze bovenzijde, een zwart masker van snavel tot achter het oog, een witte wenkbrauwstreep en een oranjebeige borst. Het vrouwtje is warm zandbruin met een vaag masker en een bleke wenkbrauw, maar heeft precies hetzelfde staartpatroon. In het najaar zijn alle vogels — vrouwtjes, jongen en ruiende mannetjes — bruin met roomkleurige veerzomen en beige onderdelen, en dan blijft de staart het enige zekere kenmerk; zo zie je de soort hier het vaakst.
Verwarringssoorten
De zuidelijke tapuitsoorten leveren de echte problemen op, in Spanje en bij dwaalgasten. Blonde tapuit heeft veel minder zwart in de staart — de eindband is smal en de zwarte middenstreep vrijwel afwezig, zodat de staart bijna helemaal wit oogt — en heeft roomwitte tot okerkleurige, niet grijze, bovendelen; het mannetje toont bovendien een zwarte keel of een zwart oorveld dat tot op de mantel doorloopt. Zwarte tapuit is groot en geheel zwart met een witte stuit en dezelfde brede eindband. Izabeltapuit is bleker, groter en hoogbeniger, met een kortere staart waarin de zwarte eindband breder is dan bij tapuit en waarbij de witte stuit relatief klein oogt; hij oogt vlakker van gezicht en heeft langere pootjes en een rechtere houding. Paapje mist het witte stuitvlak volledig en heeft witte vlekken aan de staartbasis en een gestreepte rug.
Leefgebied
Kort, open en kaal terrein met uitkijkposten en holtes om in te nestelen: duinvalleien met open zand, geplagde en begraasde heide, stuifzand, alpenweiden met stenen, hoogveen en rotsige toendra. Het nest zit in een konijnenhol, onder een steen of in een muurspleet. Op doortrek langs de kust op strandhoofden, zeedijken, kwelders, akkers met kale plekken en zelfs op parkeerplaatsen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Groenland en IJsland tot Siberië en tot in de bergen van Zuid-Europa; alle vogels overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara, ook de IJslandse en Groenlandse, die in één sprong de oceaan oversteken. In Nederland is de tapuit als broedvogel sterk achteruitgegaan: van ruim tweeduizend paren rond 1975 tot ongeveer driehonderd paren nu, vrijwel allemaal in de duinen van Noord-Holland en de Waddeneilanden, met kleine resten op de Veluwe. Noord-Brabant, Limburg en grote delen van de kust zijn geheel verlaten. In Spanje is hij een wijdverbreide broedvogel van de bergen en hoogvlaktes en in maart en september een zeer talrijke doortrekker.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De laatste week van maart en de eerste week van april op een zeedijk, een strandhoofd of een kwelder: dan komen de eerste mannetjes binnen en zitten ze in het volle zomerkleed op de stenen, vaak op enkele meters. Voor de Groenlandse vorm leucorhoa, groter, oranjer en langvleugeliger, is de eerste helft van mei op de Waddeneilanden het moment. In augustus en september staan de bruine najaarsvogels op akkers met kale plekken; laat ze opvliegen en kijk alleen naar de staart — de omgekeerde zwarte T maakt de determinatie meteen rond.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in West-Europa een van de hardst achteruitgaande broedvogels. In Nederland staat de tapuit als bedreigd op de Rode Lijst: het gaat om verruiging van duin en heide door stikstofdepositie, het wegvallen van korte, open vegetatie, het instorten van de konijnenstand waardoor nestholtes verdwijnen, en toegenomen recreatiedruk en predatie. Grootschalig plaggen, begrazing en het herstel van open zand in de duinen hebben de val plaatselijk gestuit, maar het herstel is broos. In het Middellandse Zeegebied en in Scandinavië zijn de aantallen aanzienlijk stabieler.




