Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Alkstormvogeltje

Alkstormvogeltje | Pelecanoides urinatrix

Common Diving-Petrel | Potoyunco común

Het alkstormvogeltje is een kleine, gedrongen buisneus die meer op een alk lijkt dan op een stormvogel: zwart van boven, wit van onderen, met een korte stompe snavel en helderblauwe poten. Hij scheert kaarsrecht en laag over zee op snorrende, korte vleugels en duikt een golf niet over maar dwars doorheen, om er aan de andere kant weer uit te komen. Onder water vliegt hij letterlijk verder, met halfgevouwen vleugels.

Alkstormvogeltje (Pelecanoides urinatrix)
Foto: Rosie B — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Op zee is hij stil. Boven en in de kolonie klinkt 's nachts een muzikaal gekoer met een opwaartse buiging, ongeveer whoe-ie-wip, telkens herhaald vanuit het hol en afgewisseld met piepjes, fluitjes en gekreun. Mannetje en vrouwtje roepen verschillend — de roep van het mannetje is de eenvoudigste van de twee — en in een dichte kolonie wordt dat koor bij nieuwe maan oorverdovend.

Luister: ZangXC295663

Opname: Johannes Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · Stewart Island, Southland District, Southland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een klein, dik vogeltje van twintig centimeter en ongeveer honderddertig gram, met een kop die te groot lijkt voor het lijf en een hals die je nauwelijks ziet. Van boven zwart, in vers kleed met bleke schouderstrepen; van onderen wit, met een grijze wolk op de borstzijden en een wisselende hoeveelheid wit op keel en ondervleugel. De snavel is kort, zwart en breed aan de basis, met neusgaten die naar boven openen in plaats van naar voren — een aanpassing aan het duiken. De poten zijn helder blauw met zwarte randen. De vlucht legt hem vast: laag, kaarsrecht, met snelle snorrende slagen en zonder de bogen die andere buisneuzen maken. Gemeten duiken gaan gemiddeld tot elf meter diep en maximaal tot vierenzestig meter.

Verwarrings­soorten

Het Antarctisch alkstormvogeltje (Pelecanoides georgicus) is het enige echte probleem, en het is een hard probleem: die heeft een wittere ondervleugel, grijze veertjes achter het oog die als oorwarmers omhoog lopen, witte veerbasissen op de stuit, bij sommige vogels een licht gevorkte in plaats van recht afgesneden staart, en een fijnere snavel met lichtblauwe randen. Op zee zijn de twee niet met zekerheid te scheiden; in de literatuur wordt betrouwbare determinatie in de praktijk beperkt tot vogels in de hand. Op afstand kan een prion (Pachyptila) even verwarren, maar die is grijs met een donkere M over de bovenvleugel en zwiert in hoge bogen in plaats van recht door te snorren.

Leefgebied

Zee boven het continentaal plat en in beschutte kustwateren, meestal binnen enkele tientallen kilometers van de kolonie; hij is veel minder oceanisch dan de meeste buisneuzen en hangt vaak rond in de luwte van eilanden en zeestraten. Broedt in zelfgegraven holen in zachte grond onder tussockpollen (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), duinhelm of laag kuststruweel, uitsluitend op eilanden zonder ingevoerde roofdieren, en komt daar alleen in het donker aan land.

Verspreiding en trek

Binnen dit kaartvenster broedt hij op eilanden rond heel Nieuw-Zeeland — de Drie Koningen, de Cavalli-eilanden en de Mercury-eilanden in het noorden, en zuidelijker de Snares, Rangatira in de Chathams, de Antipoden, de Aucklandeilanden en Campbell — en in Australië op eilandjes in Straat Bass en rond Tasmanië, met verspreide kolonies verder noordwaarts voor Nieuw-Zuid-Wales en westwaarts tot voor Zuid- en West-Australië. Op zee is hij gewoon in de Hauraki-golf, in Cook Strait en Foveaux Strait en in Straat Bass, en veel minder talrijk zodra je het diepe water op vaart.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Neem een veerboot die een zeestraat oversteekt — Cook Strait, Foveaux Strait of de overtocht naar Tasmanië — en let op kleine plukjes dikke zwart-witte vogeltjes die pas op korte afstand opvliegen, laag en recht wegsnorren en dan de zee in verdwijnen in plaats van eroverheen te bogen. Dat duiken is het kenmerk dat blijft staan als je niets van de kop of de ondervleugel ziet. Wie een van de twee soorten alkstormvogeltje echt op naam wil brengen, moet aanvaarden dat dat op zee vaak niet lukt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) als soort, maar in Nieuw-Zeeland draagt hij het etiket 'relict': van het vasteland en van de meeste bewoonde eilanden verdwenen door ingevoerde ratten, hermelijnen, katten en weka's, en nu vrijwel beperkt tot roofdiervrije eilanden. Zijn holen liggen ondiep in zachte grond, wat hem zeer kwetsbaar maakt voor elke rat die aan land komt. Olie is het tweede gevaar: bij de stranding van de Rena bij Tauranga in 2011 stierven er meer dan zevenhonderd. Daarnaast eisen jagers, meeuwen en kiekendieven hun deel.

Wetenschappelijke naam

Pelecanoides urinatrix | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria urinatrix; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton urinatrix is Latijn voor 'duikster', van urinari, 'onder water gaan'. Het geslacht Pelecanoides werd in 1799 ingesteld door Lacépède en betekent 'pelikaanachtig', naar de rekbare keelzak waarin de vogel voedsel voor het jong meedraagt. De typelocatie is Queen Charlotte Sound ofwel Totaranui, aan de noordpunt van het Zuidereiland. De Maori-naam kuaka wordt ook voor de rosse grutto gebruikt.