Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Antarctisch alkstormvogeltje

Antarctisch alkstormvogeltje | Pelecanoides georgicus

South Georgia Diving Petrel | Potoyunco de Georgia del Sur

Het antarctisch alkstormvogeltje is de tweede van de twee kleine duikers van dit gebied: even klein, even gedrongen en met dezelfde snorrende rechte vlucht en dezelfde gewoonte om dwars door een golf te vliegen als het alkstormvogeltje. Het is een vogel van de subantarctische zee die binnen dit kaartvenster vooral op Macquarie-eiland thuishoort, en hij is op zee vrijwel niet van zijn algemenere verwant te scheiden.

Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

Op zee zwijgt hij. In de kolonie klinkt 's nachts een klaaglijk miauwend geroep dat volgens de waarnemers duidelijk afwijkt van dat van naaste verwanten, en waarin mannetje en vrouwtje in het veld uit elkaar te houden zijn. Het gaat om korte, dunne, herhaalde tonen vanuit het hol en vanuit de lucht boven de kolonie, niet om het volle gekoer van de grotere buisneuzen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een vogeltje van twintig centimeter en ongeveer honderdvijftig gram, zwart van boven en wit van onderen, met de kop diep in de schouders. De ondervleugel is witter en schoner dan bij het alkstormvogeltje, met minder grijze waas. Achter het oog loopt grijze bevedering omhoog als een paar oorwarmers, wat de kopzijde lichter maakt. De veren van de stuit hebben witte basissen, de staart is bij een deel van de vogels licht gevorkt in plaats van recht afgesneden, en de snavel is fijner — dertien tot zestien millimeter, zwart met lichtblauwe randen. De poten zijn overwegend blauw met zwarte zomen.

Verwarrings­soorten

Het alkstormvogeltje (Pelecanoides urinatrix) is het enige verwarringsgevaar en tegelijk het lastigste determinatieprobleem van de hele groep: dat heeft een doffere, grijswitte ondervleugel, egaal donkere stuitveren, een recht afgesneden staart, donkerder kopzijden en een zwaardere, aan de basis bredere snavel. Elk van die verschillen is subtiel en geen ervan is op zee betrouwbaar te zien; de literatuur beperkt zekere determinatie in de praktijk tot vogels in de hand of tot vogels op de broedplaats. Wie er een op zee ziet en niets van de snavel of de ondervleugel kan beoordelen, noteert eerlijk 'alkstormvogeltje spec.'.

Leefgebied

Subantarctische zee en koud water rond de broedeilanden, buiten de broedtijd verder van de kust dan het alkstormvogeltje. Hij graaft zijn hol in losse, goed doorlatende bodem: op Macquarie-eiland in helling- en kustterrein met tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en veldmark, en bij de Nieuw-Zeelandse populatie in de zandduinen vlak achter het strand. Dat hij zand en gruis verkiest boven vaste veengrond maakt hem gevoelig voor iedere verandering in de duin- of hellingbodem.

Verspreiding en trek

Binnen dit kaartvenster is Macquarie-eiland, het Australische subantarctische eiland halverwege Tasmanië en Antarctica, de plaats waar de soort thuishoort; daarbuiten broedt hij op Zuid-Georgië, de Prins Edward-eilanden, Crozet, Kerguelen en Heard. De enige Nieuw-Zeelandse populatie zit in de duinen van Sealers Bay op Whenua Hou ofwel Codfish Island bij Stewarteiland; die vogels zijn in 2018 beschreven als een apart, ernstig bedreigd taxon, Pelecanoides whenuahouensis, zodat het van de gevolgde lijst afhangt of ze nog onder deze soort vallen. Subfossiele vondsten tonen dat de vogel vroeger ook bij de Aucklandeilanden, Stewarteiland en de Chathams broedde. Op zee is hij zeldzaam gezien en zelden met zekerheid op naam gebracht.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De enige realistische kans is een schip dat de subantarctische wateren bij Macquarie-eiland aandoet, of een expeditiereis langs de Nieuw-Zeelandse eilanden in de zuidzomer. Kijk naar kleine zwart-witte duikertjes die laag en recht wegsnorren, en probeer bij elke vogel die dichtbij komt de ondervleugel en de kopzijde te zien — een schone witte ondervleugel en lichte oorwarmers achter het oog zijn de enige twee kenmerken die op korte afstand nog iets opleveren. Wees niet te snel tevreden: de meeste vogels blijven onbepaald.

Staat van instandhouding

Als soort niet bedreigd (LC), want de kolonies op Zuid-Georgië en de eilanden in de Indische Oceaan zijn groot. Het beeld binnen dit kaartvenster is anders. Op Macquarie-eiland hebben ingevoerde katten, ratten en vooral konijnen — die de hellingbegroeiing wegvraten en de bodem lieten afschuiven — de holenbroeders zwaar getroffen; sinds de uitroeiing van konijn, rat en muis in 2014 herstelt de gemeenschap van holenbroeders zich daar zichtbaar. De Nieuw-Zeelandse vogels van Whenua Hou staan er slecht voor: minder dan tweehonderdtien exemplaren, bedreigd door stormerosie en instortende duinen, door ingevoerd duingras dat de holen dichtgroeit, en door oprukkend kustbos.

Wetenschappelijke naam

Pelecanoides georgicus | Murphy & Harper, 1916

De Amerikaanse zeevogelkenner Robert Cushman Murphy en Francis Harper beschreven de soort in 1916 als Pelecanoides georgica; omdat ze in datzelfde geslacht is gebleven — de uitgang veranderde alleen mee met het geslacht van de genusnaam — staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het epitheton verwijst naar Zuid-Georgië, en de typelocatie is Cumberland Bay op dat eiland. Het geslacht Pelecanoides werd in 1799 ingesteld door Lacépède en betekent 'pelikaanachtig', naar de rekbare keelzak. De Nieuw-Zeelandse vogels dragen de Māori-naam kuaka Whenua Hou, naar het eiland waar ze als enige nog broeden.