Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Witkinstormvogel
Witkinstormvogel | Procellaria aequinoctialis
White-chinned Petrel | Fardela negra grande
De witkinstormvogel is de grootste van de vier donkere Procellaria-stormvogels en na de reuzenstormvogels de grootste soort van de hele familie: roetzwart, met een zware bleke snavel en een wit kinvlekje dat soms goed opvalt en soms helemaal ontbreekt. Hij is een luidruchtige, brutale volger van vissersschepen en juist daardoor ook een van de vogels die wereldwijd het vaakst als bijvangst omkomen.
Geluid
Op zee is hij minder stil dan de meeste stormvogels: in het gedrang om visafval achter een trawler klinkt een schor, ratelend gekwaak en geschreeuw, vaak van tientallen vogels tegelijk. In de kolonie draait het geluid om een snelle, ratelende reeks — ke-ke-ke-kerrr — die uit het hol komt of in de nacht overvliegend wordt gegeven, afgewisseld met een laag gekreun tussen partners.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote, zware stormvogel van 51 tot 58 cm met een spanwijdte van bijna anderhalve meter en een gewicht rond de 1,3 kg. Het kleed is roetzwart met een bruine glans, ook de ondervleugel, en de poten zijn zwart. Twee kenmerken tellen. Het eerste is de snavel: zwaar, bleek hoorngeel tot ivoorkleurig, met zwart tussen de hoornplaten maar zonder donkere punt — de nagel op het uiteinde is net zo bleek als de rest. Het tweede is de witte kin, waaraan de soort haar naam dankt: bij sommige vogels een opvallende witte bles op keel en kin, bij andere niet meer dan een paar witte veertjes, en bij een deel van de vogels helemaal afwezig. Reken er dus niet op. De vlucht is krachtig, met stevige slagen afgewisseld door lage, boogvormige glijvluchten die bij harde wind overheersen.
Verwarringssoorten
De westlandstormvogel (Procellaria westlandica) is het lastigst: dezelfde donkere vogel met dezelfde bleke snavel, maar met een duidelijk donkere, bijna zwarte snavelpunt; die punt is het enige betrouwbare kenmerk op zee en is bij goed licht of op een foto goed te zien. De zwarte stormvogel (Procellaria parkinsoni) heeft eveneens een donkere snavelpunt en is bovendien flink kleiner (46 cm) en fijner gebouwd. De reuzenstormvogels (Macronectes halli en Macronectes giganteus) zijn in jong kleed ook geheel roetzwart, maar veel groter, met een enorme snavel met opvallende neusbuizen en een bultige, kortnekkige vlucht. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) is kleiner en slanker, heeft een dunne donkere snavel en een zilveren baan op de ondervleugel.
Leefgebied
Open oceaan van de subtropische convergentie tot ver in de subantarctische zee, met een sterke voorkeur voor de plat- en hellingranden waar visserij plaatsvindt. Hij pakt inktvis en vis van de oppervlakte maar duikt ook, tot enkele meters diepte, wat hem bij beugelvisserij in de problemen brengt. In het broedseizoen graaft hij lange holen in de veenbodem tussen pollen tussockgras (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en onder kruidenvelden op subantarctische eilanden, meestal op vlakke of zacht hellende delen waar de bodem diep genoeg is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster broedt hij op de Nieuw-Zeelandse subantarctische eilanden: de Antipoden, de Aucklandeilanden — met Disappointment Island als belangrijkste plek — en Campbell. Buiten dit venster liggen de grootste kolonies op Zuid-Georgië, met naar schatting twee miljoen paren, en op Kerguelen met 175.000 tot 226.000 paren; wereldwijd gaat het om zo'n zeven miljoen volwassen vogels. Op zee is hij in de winterhelft van het jaar gewoon in de wateren rond Nieuw-Zeeland en langs de zuidkust van Australië, van West-Australië via de Grote Australische Bocht tot Tasmanië en Nieuw-Zuid-Wales, en hij is daar vaak de talrijkste grote donkere stormvogel achter een vissersschip.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Pelagische tochten uit Wollongong, Port Fairy, Eaglehawk Neck of Kaikoura leveren hem in de wintermaanden vrijwel zeker op; hij komt dicht bij de boot en blijft lang rond het lokvoer hangen, zodat je de tijd hebt. Gebruik die tijd goed: fotografeer de snavel recht van opzij en let alleen op de punt. Zie je geen donkere nagel, dan heb je deze soort; zie je die wel, kijk dan verder naar de westlandstormvogel of de zwarte stormvogel. Het witte kinvlekje is aardig als het er is, maar het is geen determinatiekenmerk.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU), ondanks een wereldpopulatie die in de miljoenen loopt. De reden is bijvangst: hij is de zeevogel die in de zuidelijke beugel- en trawlvisserij het vaakst wordt gedood, omdat hij aas onder water weghaalt en onvermoeibaar achter schepen blijft hangen. De cijfers uit de kolonies zijn navenant: op Bird Island bij Zuid-Georgië is de stand met 28 procent teruggelopen en bij Prydz Bay met 86 procent. Daarbij komen verwilderde varkens en katten op Aucklandeiland, die eieren en jongen uit de holen halen. Maatregelen die werken — lijnen met vogelverschrikkers, nachtelijk zetten van beugels en verzwaarde lijnen — zijn bekend maar worden niet overal toegepast.
Wetenschappelijke naam
Procellaria aequinoctialis | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende druk van Systema Naturae als Procellaria aequinoctialis; omdat het geslacht sindsdien niet veranderde, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Procellaria is gevormd naar het Latijnse procella, 'storm'. aequinoctialis betekent 'van de nachtevening' en werd door Linnaeus gebruikt voor dieren die hij bij de evenaar plaatste — een misvatting in dit geval, want de soort hoort thuis in de zuidelijke oceanen. De typelocatie is Kaap de Goede Hoop, al kwam het exemplaar zelf vermoedelijk van Zuid-Georgië.


