Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Bruine stormvogel
Bruine stormvogel | Procellaria cinerea
Grey Petrel | Fardela gris
De bruine stormvogel is de enige van de vier grote Procellaria-stormvogels die van onderen wit is: asgrijs op kop, rug en vleugels, helder wit van borst tot buik, en met een donkere ondervleugel die dat wit nog scherper maakt. Hij is bovendien de enige van het geslacht die in de zuidelijke herfst en winter broedt, zodat zijn jong opgroeit in het seizoen waarin de meeste zeevogels allang weer op zee zitten. Zijn Nederlandse naam past slecht bij zijn kleed, want bruin is hij nergens.
Geluid
Op zee is hij vrijwel stil; alleen in het gedrang om aas achter een trawler klinkt een schor gekras. Het eigenlijke geluid hoort bij de kolonie, en daar zijn drie roepen beschreven: een lage, aangehouden kreun tussen partners bij het nest, een luide, ratelende reeks kwakende noten — kwak-kwak-kwak-kwak — die rond zonsopgang en schemer over de helling gaat en dient om een partner te lokken, en een blatend geluid dat bij alarm of bij ruzie om een hol klinkt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een forse stormvogel van 48 cm en ongeveer een kilo, met lange, vrij smalle vleugels en een stevige, gedrongen kop. Bovenzijde asgrijs, met iets donkerder grijze vleugels en staart; de grijze kap loopt tot onder het oog door en gaat op de hals geleidelijk over in het wit van borst en buik. De ondervleugel is donker en steekt daardoor af tegen die witte onderzijde — de combinatie donkere ondervleugel plus witte buik is in deze wateren zeldzaam en legt de soort meteen vast. De snavel is zwaar en groengeel tot vleeskleurig, met zwart tussen de hoornplaten en op de neusbuizen. Poten grijsroze, aan de buitenzijde donkerder, met gelige zwemvliezen. De vlucht is laag en doelgericht, met stijve slagen afgewisseld door lange glijvluchten.
Verwarringssoorten
De drie andere Procellaria-soorten in dit gebied — de witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis), de westlandstormvogel (Procellaria westlandica) en de zwarte stormvogel (Procellaria parkinsoni) — zijn van kop tot staart donker; één blik op de buik sluit ze alle drie uit. Lastiger is de witkopstormvogel (Pterodroma lessonii), die eveneens grijs is boven en wit onder: die heeft echter een wítte kop met een donker oogmasker, een korte zwarte snavel en een hoge, zwierige boogvlucht, terwijl de bruine stormvogel een geheel grijze kap, een grote bleke snavel en een lagere, stijvere vlucht heeft. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) is geheel donker met een zilverige baan in de ondervleugel — precies het omgekeerde patroon.
Leefgebied
Open oceaan tussen de subtropische convergentie en de subantarctische zee, met een voorkeur voor de fronten waar koud en warm water elkaar raken. Hij pakt inktvis en vis van de oppervlakte en maakt daarbij ondiepe duiken, en hij is een berucht liefhebber van aas en visafval achter schepen. Om te broeden graaft hij holen in de veenbodem onder pollen tussockgras (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en kruidenvelden op de zeewaartse hellingen van subantarctische eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen het kaartvenster broedt hij op Antipodeneiland — met ongeveer 53.000 paren veruit het wereldbolwerk — op Campbell, waar minder dan honderd paar zitten, en op Macquarie, waar hij na het verwijderen van katten, ratten en konijnen weer terrein wint. Op zee zwerft hij tussen ongeveer 32 en 58 graden zuiderbreedte: gewoon in de zee ten zuiden van Nieuw-Zeeland, minder talrijk naar het noorden toe, en langs Australië vooral in de wateren van Tasmanië, Victoria en Nieuw-Zuid-Wales in de winterhelft van het jaar. Van december tot maart trekt een deel van de vogels naar de Humboldtstroom voor Peru.
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga aan boord bij Kaikoura, vanuit Bluff of Stewarteiland, of bij Eaglehawk Neck op Tasmanië en Port Fairy in Victoria, het liefst tussen mei en september. Zoek achter het lokvoer naar een stormvogel die bij het aandraaien even de buik laat zien: grijs boven, wit onder, donkere ondervleugel. Fotografeer de snavel, want het zwart tussen de hoornplaten en op de neusbuizen bevestigt de soort achteraf ook als het licht tegenzat.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT) op de wereldlijst; in Nieuw-Zeeland geldt hij als risicosoort, van nature schaars (At Risk – Naturally Uncommon). De zwaarste last ligt op zee: omdat hij duikt en graag aas neemt, haalt hij aas van beugels onder water en verdrinkt hij aan de haak, en hij komt ook om in trawlnetten en tegen vislijnen. Aan land is het beeld juist opgeklaard: op Macquarie zijn katten, ratten en konijnen verwijderd — het laatste stadium daarvan werd in 2014 afgerond — en op Antipodeneiland werden in 2016 de huismuizen uitgeroeid, zodat beide eilanden nu roofdiervrij zijn. De vogel is traag in het herstel, want hij legt één ei per jaar en broedt pas na jaren voor het eerst.
Wetenschappelijke naam
Procellaria cinerea | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria cinerea, en in dat geslacht staat ze nog, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. cinerea betekent 'askleurig', naar het Latijnse cinis, en dekt de bovenzijde precies. Het geslacht Procellaria werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd en is gevormd naar procella, 'storm'. De typelocatie werd aanvankelijk vaag opgegeven als een plek binnen de zuidpoolcirkel en is later vastgelegd op de Nieuw-Zeelandse zee bij 48 graden zuiderbreedte. De Māori-naam is kuia.


