Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Zwarte stormvogel
Zwarte stormvogel | Procellaria parkinsoni
Black Petrel | Petrel de parkinson
De zwarte stormvogel of tākoketai is de kleinste van de vier grote donkere stormvogels van dit gebied en de enige die in de Hauraki-golf thuishoort: geheel zwart, met een ivoorgele snavel met grijszwarte punt, en broedend in holen hoog op de beboste bergruggen van twee eilanden voor Auckland. Nieuw-Zeeland rekent hem tot de zeevogel die het zwaarst door de commerciële visserij wordt getroffen.
Geluid
Op zee doorgaans stil, al klinkt er gekrijs in het gedrang om aas. De kolonie is 's nachts luidruchtig: overvliegende vogels laten een schel, klaaglijk wik-wik-wik horen en uit de holen komen kreunende, kwakende en ratelende noten, aangevuld met een langgerekt gejank van paren die elkaar bij het hol begroeten. Het geluid is vooral hoorbaar in windstille nachten tussen november en januari, wanneer de leg begint.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote, geheel zwarte stormvogel van 46 cm en ongeveer 700 g, met een spanwijdte van rond 115 cm; slanker van kop en snavel dan zijn grotere verwanten en daardoor eleganter van vlucht. Het kleed is zwart tot bruinzwart, ook op de ondervleugel, en poten en voeten zijn zwart. De snavel is geelachtig ivoorkleurig met zwart tussen de hoornplaten en met een duidelijk grijszwarte nagel op de punt. Sommige vogels dragen een paar witte veertjes op kop of kin. De vlucht is soepel, met betrekkelijk snelle slagen en lange glijvluchten die bij wind in hoge bogen overgaan.
Verwarringssoorten
De westlandstormvogel (Procellaria westlandica) is de grote evenbeeld: ook zwart met bleke snavel en donkere punt, maar 50 tot 55 cm, met een zwaardere kop en een duidelijk dikkere snavel, en het zwaartepunt van zijn verspreiding ligt bij Cookstraat en de Westkust in plaats van bij de noordelijke wateren. De witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) is nog groter en heeft een snavel die tot in de punt bleek blijft. De australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes) is de meest voorkomende verwisseling in het noorden van Nieuw-Zeeland, want hij is even groot en eveneens geheel donker met een bleke snavel: let dan op de poten, die bij die soort vleeskleurig roze zijn en bij de zwarte stormvogel zwart, en op de snavel, die bij Ardenna carneipes slanker en roze is met een donkere punt. De vlucht helpt ook: de pijlstormvogel is smaller van vleugel en houdt de vleugels rechter.
Leefgebied
Op zee de diepe wateren van de buitenste Hauraki-golf, de Bay of Plenty en de Tasmanzee, waar hij 's nachts bioluminescente inktvis van de oppervlakte pakt en daarbij ondiep duikt; daarnaast vis, manteldieren en kreeftachtigen, en visafval achter schepen. Om te broeden graaft hij holen van een halve tot drie meter diep, hoog op de beboste bergruggen van Great Barrier en Little Barrier, tot rond de 600 meter hoogte, onder podocarpen en kauri's waar de bodem diep genoeg is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Hij broedt nog maar op twee plaatsen ter wereld, beide in de Hauraki-golf: Great Barrier Island (Aotea) met ongeveer 5000 paren en Little Barrier Island (Hauturu) met ongeveer 600 paren. Vroeger broedde hij ook op het vasteland van het Noorder- en Zuidereiland; die kolonies zijn verdwenen. In het broedseizoen, van oktober tot juli, foerageert hij in de zee ten noordoosten van Nieuw-Zeeland en tot ver in de Tasmanzee, waar hij op pelagische tochten voor New South Wales wordt gezien. Daarbuiten trekt vrijwel de hele populatie naar de oostelijke tropische Grote Oceaan, voor Ecuador, de Galápagos en Peru.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Een bootreis van Auckland naar de buitenste Hauraki-golf of een pelagische tocht uit Tutukaka of Whitianga tussen november en april is de meest betrouwbare manier; ook de veerboot naar Great Barrier levert vogels op. Kijk bij elke donkere stormvogel eerst naar de poten als de vogel op het water zit of laag langs komt — zwart betekent deze soort, roze betekent australische grote pijlstormvogel — en pas daarna naar de snavelpunt. Vanaf de kust is hij zeldzaam; dit is een vogel waarvoor je de haven uit moet.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU) op de wereldlijst en in Nieuw-Zeeland Nationally Vulnerable, met een stand die met zeker 1,4 procent per jaar terugloopt. Bijvangst is verreweg het grootste probleem: de soort geldt als de zeevogel die in de Nieuw-Zeelandse commerciële visserij het hardst wordt geraakt, vooral in de beugelvisserij op snapper in de Hauraki-golf en de Bay of Plenty, en het foerageergebied overlapt bijna volledig met het bevist gebied. Aan land hebben verwilderde katten, varkens, ratten en marterachtigen de vastelandkolonies uitgeroeid; op Little Barrier zijn ratten en katten inmiddels verwijderd, op Great Barrier leven nog katten en ratten die jongen uit de holen halen. De soort is traag: eerste broedpoging na vijf tot zeven jaar, één ei, en vogels van ruim negenentwintig jaar oud zijn vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Procellaria parkinsoni | Gray, 1862
George Robert Gray beschreef de soort in 1862 in Ibis als Procellaria parkinsoni; omdat het geslacht sindsdien niet veranderde, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het epitheton eert Sydney Parkinson, de jonge tekenaar die met Cook op de Endeavour meevoer en die onderweg naar huis overleed. Het geslacht Procellaria gaat terug op het Latijnse procella, 'storm'. De typelocatie is eenvoudigweg opgegeven als Nieuw-Zeeland. De Māori-naam tākoketai is de gangbare; daarnaast wordt de naam tāiko in Nieuw-Zeeland ook voor deze soort gebruikt, net als voor de westlandstormvogel.

