Alle soortenStormvogelachtigenPijlstormvogels › Westlandstormvogel

Westlandstormvogel | Procellaria westlandica

Westland Petrel | Fardela de Nueva Zelanda

De westlandstormvogel, tāiko in het Māori, is een grote, geheel donkere stormvogel die nergens ter wereld broedt behalve in een strook kustheuvels aan de Westkust van het Zuidereiland. Alle kolonies bij elkaar beslaan ongeveer zestien hectare — een oppervlak van nog geen twee bij twee kilometer aan holen onder het bos, waar de hele soort vandaan komt. Hij broedt midden in de winter, en dat is een van de weinige zeevogels van Nieuw-Zeeland die het op het vasteland nog steeds in aantal voor elkaar krijgt.

Westlandstormvogel (Procellaria westlandica)
Foto: Ed Dunens — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij, op wat schor gekrijs in het gedrang achter een trawler na. In de kolonie is hij daarentegen luidruchtig: kwakende, neuzige noten, een gonzend gebrom en een balkend geschreeuw dat vooral in het donker klinkt, wanneer de vogels tussen de bomen door binnenvallen. De drukte begint ongeveer drie weken voor de eileg, in de periode van baltsen en paren, en verstomt daarna grotendeels.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een zware, breedgebouwde stormvogel van 50 tot 55 cm en 800 tot 1600 g, met een dikke nek en een grote kop, zodat hij massiever oogt dan zijn maat doet vermoeden. Het kleed is egaal donker zwartbruin, ook de ondervleugel; de poten en voeten zijn zwart. Het beslissende kenmerk zit in de snavel: die is zwaar en bleek geelhoornkleurig, met een duidelijk donkere, bijna zwarte nagel op het uiteinde en zwart tussen de hoornplaten. De vlucht is traag en zwaar, met stijve slagen en lange, hoge bogen bij wind.

Verwarrings­soorten

De witkinstormvogel (Procellaria aequinoctialis) is de moeilijkste: even donker en iets groter, maar zijn bleke hoornkleurige snavel mist de donkere punt, en hij heeft vaak — niet altijd — een wit vlekje op de kin. Een goede foto van de snavelpunt beslist de zaak. De zwarte stormvogel (Procellaria parkinsoni) heeft eveneens een donkere snavelpunt maar is duidelijk kleiner (46 cm) en slanker van kop en snavel, en de verspreiding helpt sterk mee: hij hoort bij de Hauraki-golf en de noordelijke wateren, terwijl de westlandstormvogel de Westkust en Cookstraat bezet. De australische grote pijlstormvogel (Ardenna carneipes) is beduidend kleiner en slanker, met vleeskleurige poten in plaats van zwarte. De grauwe pijlstormvogel (Ardenna grisea) is kleiner, smaller van vleugel en toont een zilverige baan op de ondervleugel.

Leefgebied

Op zee het continentaal plat en de helling voor de Westkust, waar de canyons van de Hokitika- en Karamea-zeebodem voedsel opstuwen; verder de open Tasmanzee. Om te broeden komt hij aan land in laaggelegen podocarpen-loofbos op de steile kustheuvels een paar kilometer landinwaarts, waar hij holen graaft tussen boomwortels op hellingen tot ongeveer 250 meter hoogte. Dat is ongebruikelijk: de meeste grote stormvogels broeden op eilanden zonder bos, deze soort onder een bladerdak op het vasteland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het hele broedgebied ligt tussen Barrytown en Punakaiki, ten noorden van Greymouth op de Westkust van het Zuidereiland — ongeveer 29 kolonies van elk vijftig tot duizend holen. Op zee is hij in de winter de talrijkste grote donkere stormvogel van Cookstraat en de wateren rond het noorden van het Zuidereiland, en hij volgt de vissersvloot tot ver op de Tasmanzee en langs de zuidoostkust van Australië. In de zuidelijke zomer, buiten het broedseizoen, trekken de vogels naar de wateren voor Zuid-Amerika, waar ze in de Humboldtstroom voor Chili en Peru overzomeren.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Van mei tot december is een pelagische tocht uit Kaikoura of vanuit Wellington over Cookstraat de zekerste kans; vanaf het strand bij Punakaiki is in de late middag de terugkeer van de vogels naar de kolonie te zien, een van de weinige plaatsen ter wereld waar een grote stormvogel vanaf het vasteland bij daglicht binnenkomt. Kijk of de vogel bij het draaien de snavelpunt laat zien en let tegelijk op de zware, kortnekkige indruk: een westlandstormvogel oogt bijna reuzenstormvogelachtig plomp naast een pijlstormvogel.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN), met ongeveer vierduizend broedparen en een broedgebied dat op de kaart een speldenprik is. Op zee is bijvangst het grootste probleem: de vogels volgen trawlers en beugelschepen en komen om tegen de vislijnen en aan de haak. Aan land vreten verwilderde varkens, hermelijnen, ratten, katten, zwervende honden en soms weka's eieren en jongen, worden holen vertrapt door vee en beschadigen stormen en aardverschuivingen de bosbodem waarin de holen liggen. Jonge vogels die voor het eerst uitvliegen raken bovendien gedesoriënteerd door straat- en wegverlichting en botsen tegen hoogspanningsdraden; ze worden dan opgeraapt en vrijgelaten. Mijnbouw en wegaanleg in de kustheuvels vormen een blijvende dreiging voor het kleine areaal.

Wetenschappelijke naam

Procellaria westlandica | Falla, 1946

Falla beschreef de vorm in 1946, in de Records of the Canterbury Museum, als ondersoort Procellaria parkinsoni westlandica; ze is later als volwaardige soort erkend. Omdat het geslacht daarbij niet veranderde, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. westlandica betekent eenvoudig 'van Westland', de streek waar het enige broedgebied ligt, en de typelocatie is Barrytown in Westland. Het geslacht Procellaria werd in 1758 door Linnaeus ingevoerd, naar procella, 'storm'. De Māori-naam tāiko wordt in Nieuw-Zeeland ook voor de zwarte stormvogel en voor de magenta-stormvogel gebruikt.