Alle soorten › Steltloperachtigen › Grielen › Australische griel
Australische griel | Burhinus grallarius
Bush Stone-Curlew | Alcaraván colilargo
De Australische griel is de nachtvogel van het Australische open bos: een slanke, hoogpotige steltloper met een reusachtig geel oog, een streperig grijsbruin kleed en een schuw, roerloos karakter. Overdag staat of ligt hij onbeweeglijk tussen afgevallen takken en blad, waar hij vrijwel onzichtbaar is; 's nachts loopt hij het bos af op zoek naar insecten en hagedissen, en dan verraadt zijn huilende roep hem over kilometers.
Geluid
Een kenmerkend nachtgeluid van landelijk Australië: een lang aangehouden, klagend fluiten dat langzaam in toonhoogte stijgt en dan wegvalt, wier-loe-oe, meestal kort na zonsondergang begonnen en door andere vogels in de omtrek beantwoord tot er een koor ontstaat. Op het hoogtepunt van een baltsnacht gaat het over in een schril, bijna gillend geschreeuw. Bij verstoring klinkt een kort, hard tsjak. De balts zelf is een dans met gespreide vleugels, opgerichte staart en gelijktijdig stampende poten, luid begeleid.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · Newell Beach, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een slanke, rechtop staande vogel van ruim een halve meter, van boven grijsbruin met zwarte en roodbruine lengtestrepen, van onderen witachtig met scherpe verticale zwarte strepen die als een streepjescode over de borst lopen. De kop draagt een brede witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep, en het oog zelf is groot, fel geel en rondom omzoomd door zwarte kale huid. De snavel is klein, recht en zwart. De poten zijn lang en olijfgroen tot vuilgeel, met duidelijk verdikte hielgewrichten — de 'dikke knieën' waaraan de familie haar Engelse naam dankt. In de vlucht, die hij zo lang mogelijk uitstelt, zijn de vleugels lang en breed, met opvallende zwart-witte vlekken op de handpennen. Man en vrouw zien er gelijk uit; jonge vogels zijn bleker en bruiner.
Verwarringssoorten
De rifgriel, de kustsoort Esacus magnirostris, komt in het noorden tot op dezelfde stranden en is vrijwel even lang, maar veel zwaarder gebouwd: hij heeft een enorme, dikke snavel, een zwart-wit getekend gezicht in plaats van een streperig kleed, en blijft altijd op strand, wad of rifplaat. Zijn roep is korter en schorrer dan het lange, huilende fluiten van deze soort. Op afstand kan een staande vogel aan een wulp doen denken, maar de snavel is hier klein en recht in plaats van lang en gebogen. Een gehurkte vogel in het gras wordt geregeld voor een nachtzwaluw aangezien; de lange poten en het gele oog sluiten dat uit.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en open bos met een korte, schaarse ondergroei en vooral veel afgevallen takken, boomstronken en bladstrooisel — die rommel op de bodem is voor hem essentieel, want daarin verdwijnt hij overdag. Verder savanne met eucalyptus, rivierbos langs kreken, de randen van moessonbos en mangrove, en in Queensland ook door mensen gemaakte varianten: golfbanen, begraafplaatsen, schoolterreinen en parken met oude bomen. Het nest is niet meer dan een kale plek op de grond, vaak naast een omgevallen tak.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Vrijwel het hele Australische vasteland, met een uitloper naar het zuiden van Nieuw-Guinea. Hij is nog algemeen in het tropische noorden — Queensland, het Noordelijk Territorium en de Kimberley — maar in het zuidoosten en zuiden is hij zeldzaam en versnipperd geworden. Uit de Cumberland Plain rond Sydney is hij helemaal verdwenen. In Tasmanië ontbreekt hij, evenals langs een groot deel van de West-Australische kust, en Nieuw-Zeeland bereikt hij niet.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet overdag met de kijker, maar 's avonds met de oren: ga bij zonsondergang op een open plek in het bos staan en wacht op het huilende fluiten. Wil je hem zien, rijd dan na donker langzaam een landweg af en let op twee gloeiende ogen in de lichtbundel — de weerkaatsing is fel oranjerood. Vind je overdag een roerloze vogel, blijf dan op afstand: hij vertrouwt volledig op zijn camouflage en verlaat zijn nest liever niet.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met een geschat bestand van tien- tot vijftienduizend volwassen vogels, maar dat cijfer verhult een scherp noord-zuidverschil. In het noorden gaat het goed; in het zuidoosten is het areaal met naar schatting negentig procent gekrompen en staat de soort als bedreigd op de lijst van Nieuw-Zuid-Wales en Victoria, en als kwetsbaar in Zuid-Australië. De oorzaken zijn de vos en de verwilderde kat, die een nest op de kale bodem eenvoudig vinden, het opruimen van dood hout en bladstrooisel uit weilanden en parken, en de omzetting van open bos in akker- en weiland. Herintroducties in omheinde reservaten in Victoria en Nieuw-Zuid-Wales lukken juist wel, wat laat zien dat het knelpunt bij de roofdieren zit en niet bij het voedsel.
Wetenschappelijke naam
Burhinus grallarius | (Latham, 1801)
Latham beschreef de soort in 1801 als Charadrius grallarius, bij de plevieren; door de latere plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Burhinus werd in 1811 ingevoerd door Illiger, naar het Griekse bous, 'rund', en rhis, rhinos, 'neus', naar de grote neusopeningen in de zware snavel. grallarius komt van het Latijnse grallae, 'stelten', en betekent zoiets als 'steltloper'. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales.



