Alle soortenGenten en aalscholversGenten › Australische jan-van-gent

Australische jan-van-gent | Morus serrator

Australasian Gannet | Alcatraz australiano

De australische jan-van-gent is de grote witte duikvogel van de zuidelijke kustwateren: sigaarvormig, met smalle puntige vleugels van bijna twee meter, een goudgele kop en zwarte vleugelpunten. Hij jaagt door van tientallen meters hoogte met dichtgevouwen vleugels loodrecht het water in te storten, en broedt in dichte, luidruchtige kolonies op rotseilandjes en een enkele vasteland-landtong.

Australische jan-van-gent (Morus serrator)
Foto: Avenue — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij meestal. De kolonie daarentegen is een aanhoudend rumoer: een schorre, ratelende roep arrah-arrah of urrah-urrah die iedere landende vogel aankondigt en die ook klinkt bij het verdedigen van het nestplekje. Wie gaat opvliegen kondigt dat aan met een uitgerekt oe-aa. Beide seksen gebruiken dezelfde roep, met herkenbare verschillen per vogel en zelfs per kolonie. Jongen bedelen met een hoog, piepend geluid.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een forse, geheel witte zeevogel van bijna een meter met een spanwijdte van 170 tot 200 centimeter, met een spits toelopende kop en staart die hem in de vlucht de vorm van een sigaar met vleugels geven. De kop en nek zijn goudgeel overwassen, de snavel is parelgrijs met zwart omzoomde randen, en rond het oog en langs de keel loopt een dunne zwartblauwe lijn. Zwart zit alleen op de buitenste handpennen en op de vier middelste staartpennen; de rest van de vleugel is smetteloos wit. Jonge vogels zijn in het eerste jaar donkerbruin met witte spikkels en worden in drie tot vier jaar geleidelijk wit, waarbij tussenkleden met een half witte, half bruine bovenzijde gewoon zijn.

Verwarrings­soorten

De kaapse jan-van-gent (Morus capensis), een hoogst zeldzame dwaalgast die soms jaren in een Australische kolonie blijft hangen, heeft álle armpennen zwart in plaats van alleen de vleugelpunt, en een veel langere zwarte keelstreep — ruim vijf centimeter tegen ongeveer twee bij de australische. De maskergent (Sula dactylatra) is kleiner, heeft een witte in plaats van gele kop, een gele snavel, een zwart naakt gezichtsmasker en een doorlopende zwarte achterrand over de hele vleugel. Jonge jan-van-genten worden vaak voor bruine gent (Sula leucogaster) aangezien, maar die is kleiner, met een scherpe grens tussen bruine borst en witte buik, terwijl de jonge gent onregelmatig gespikkeld is.

Leefgebied

Kustwater en het continentaal plat, waar hij meestal binnen honderd kilometer uit de kust blijft en boven scholen sardines en ansjovis jaagt. Hij broedt op vlakke grond die geheel of grotendeels door zee omgeven is: rotseilandjes, zeeklippen en een enkele landtong, waar de nesten op een halve meter van elkaar in dichte rijen liggen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

In Nieuw-Zeeland liggen vrijwel alle kolonies op of rond het Noordereiland, met Cape Kidnappers bij Hawke's Bay (ruim 6.500 paren, de best bereikbare vastelandkolonie ter wereld), Muriwai bij Auckland en de Three Kings-eilanden; op het Zuidereiland broedt de kolonie op Farewell Spit, met circa 3.900 paren. In Australië broedt hij in Bass Strait en Victoria: Lawrence Rocks en Point Danger bij Portland, Pope's Eye in Port Phillip Bay, en Black Pyramid Rock, Pedra Branca en Eddystone Rock bij Tasmanië. Buiten de broedtijd zwerven vooral jonge vogels ver rond, tot in Zuid-Queensland en West-Australië; Nieuw-Zeelandse jongen steken geregeld de Tasmanzee over.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Sta bij aanlandige wind op een kaap langs de zuidkust van Victoria of de oostkust van het Noordereiland en kijk naar de horizon: een lange sliert witte vogels die laag over de golven schuift, is vrijwel altijd deze soort. Zodra er een school vis onder zit, gaan ze in serie neer, met de karakteristieke witte fonteinen. Bij Muriwai en Cape Kidnappers kun je van een uitkijkpunt tot op tientallen meters bij de nesten komen; de rustigste tijd is de ochtend.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en een van de weinige zeevogels van dit gebied waarmee het aantoonbaar beter gaat: de populatie groeit al decennia met een paar procent per jaar en verscheidene kolonies zijn sinds hun ontdekking vertienvoudigd. Het verenkleed werd vroeger geoogst en de eieren gegeten, maar sinds de bescherming is dat verleden tijd. Wat blijft, zijn verstoring van kolonies door boten en drones, bijvangst in kieuwnetten en aan de hengel, en verstrikking in weggeworpen vislijn en plastic, dat op de kolonies zichtbaar in de nesten verwerkt wordt.

Wetenschappelijke naam

Morus serrator | (Gray, 1843)

George Robert Gray voerde de naam in 1843 in als Sula serrator, als vervangende naam voor Sula australis van Gould, die al vergeven was; omdat de soort daarna naar Morus is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie is Tasmanië. serrator is Latijn voor 'zager', naar de fijne zaagtandjes langs de snijrand van de snavel, waarmee de vogel gladde vis vasthoudt. Het geslacht Morus gaat terug op het Griekse moros, 'dwaas' — dezelfde gedachte als achter het Engelse booby, omdat broedende genten zich op hun eiland zonder verzet lieten pakken. De Māori-naam is tākapu.