Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Australische renplevier

Australische renplevier | Peltohyas australis

Inland Dotterel | Chorlito australiano

De Australische renplevier is de enige steltloper ter wereld die het hele jaar in de woestijn woont, ver van elk water. Hij loopt over gibbervlakten en claypans (ondiepe kleikom die na regen tijdelijk water vasthoudt) in het droge hart van Australië, eet overdag bladpunten en 's nachts insecten, en draagt een zwarte Y over de witte borst die bij geen andere vogel van dit gebied voorkomt.

Australische renplevier (Peltohyas australis)
Foto: dhfischer — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hij is meestal stil. Wie hem hoort, hoort de vluchtroep: een korte, keelachtige triller, krroet of krrr, laag en rollend, vaak in het donker als een groepje van de weg opvliegt. Rond het nest klinkt een zacht, kort gekreun. Zang ontbreekt.

Luister: RoepXC326739

Opname: Pieter de Groot Boersma — CC BY-NC-SA 4.0 · near Deniliquin, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een plevier van negentien tot drieëntwintig centimeter met een klein, rond kopje, een korte fijne snavel en verhoudingsgewijs lange poten. De bovendelen zijn zandbeige met donkerbruine strepen, precies de kleur van de gibber (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) waarop hij loopt. Over de kruin en door het oog loopt een zwarte band, en op de witte borst staat een opvallende zwarte, Y-vormige of ankervormige band die van de nek naar beneden doorloopt; de buik draagt een roestkleurige vlek. Jonge vogels zijn valer en hebben nauwelijks zwart. Bij gevaar rent hij liever dan dat hij vliegt, en bij temperaturen boven de veertig graden zoekt hij de schaduw van een struik op.

Verwarrings­soorten

Op de droge vlakte deelt hij het terrein met de Australische kievit (Vanellus tricolor), maar die is veel groter, heeft een gele snavel met een rood lelletje en een rechte zwarte borstband in plaats van een Y. De steltvorkstaartplevier (Glareola isabella) loopt op dezelfde gibber en claypans en heeft ook een donkere buikvlek, maar is slanker, heeft lange spitse vleugels, een gevorkte staart en een zwevende, zwaluwachtige vlucht. De steppenplevier (Anarhynchus veredus) gebruikt in de zomer eveneens droog grasland, maar is slanker, langer van poot met bleekgele poten en mist elk spoor van de Y. De roodknieplevier (Erythrogonys cinctus) heeft een zwarte kap en rode poten en hoort bij zoet water, niet bij de woestijn.

Leefgebied

Vlakke, vrijwel kale gibbervlakten, grindvlakten, claypans en gilgai-terrein met verspreide saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten), bluebush (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland) of samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) van twintig tot veertig centimeter hoog. Hij eet overdag de toppen van woestijnstruiken en jaagt 's nachts op spinnen, sprinkhanen, kevers, mieren en oorwormen, vaak langs de rand van een outbackweg. Zoutklieren stellen hem in staat zilte plantendelen te verwerken en er zijn water uit te halen, zodat hij het jaar rond zonder drinkplaats kan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen het droge binnenland van het Australische vasteland, hoofdzakelijk ten zuiden van de Steenbokskeerkring en beperkt tot streken met minder dan honderd millimeter zomerneerslag; dat levert een verspreidingsbeeld op dat vrijwel samenvalt met de kaart van de zomerdroogte. Binnen dat gebied komt hij in alle vastelandstaten voor, maar altijd in lage dichtheden en met sterke verschuivingen tussen de jaren, al naar gelang waar het geregend heeft.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op het heetst van de dag niet, maar in de vroege ochtend of laat in de middag, wanneer de losse groepjes van tien tot twintig vogels het gibbervlak aflopen; soms staan er honderden bij elkaar. Rijd stapvoets over een grindweg en let op beweging, want de tekening laat hem in stilstand volledig wegvallen. 's Nachts is hij het makkelijkst: in de koplampen loopt hij langs de wegrand achter insecten aan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een als betrekkelijk groot en stabiel omschreven stand, al bestaan er geen betrouwbare aantallen; in Victoria staat hij wel als kwetsbaar op de deelstaatlijst. Zijn leefgebied is grotendeels te droog om te ontginnen, wat hem beschermt, maar begrazing door schapen en konijnen kan de lage saltbush wegnemen die hij voor schaduw en voedsel nodig heeft, en vossen en verwilderde katten bereiken tegenwoordig ook de gibbervlakten.

Wetenschappelijke naam

Peltohyas australis | (Gould, 1841)

Gould beschreef de soort in 1841 als Eudromias australis in de Proceedings of the Zoological Society of London; door de latere verplaatsing staan auteur en jaartal tussen haakjes. australis is Latijn voor 'zuidelijk'. De typelocatie is eenvoudigweg het binnenland van Australië. Het geslacht Peltohyas werd in 1896 ingevoerd door Sharpe: de naam combineert het Griekse peltē, 'klein schild', met de oude geslachtsnaam Hyas voor de morinelplevieren, waar Gould deze vogel aanvankelijk bij dacht te horen. De verwantschap bleef lang omstreden; moleculair onderzoek plaatst hem tegenwoordig binnen de plevieren.