Alle soortenSteltloperachtigenKluten › Australische steltkluut

Australische steltkluut | Himantopus leucocephalus

Pied Stilt | Cigueñuela australiana

De Australische steltkluut is de opvallendste steltloper van elke ondiepe plas in Australazië: spierwit met een zwarte rug en zwarte vleugels, en daaronder twee absurd lange, dieproze poten. Hij loopt met kleine, bedachtzame passen door het water en pikt insecten van het oppervlak. In Nieuw-Zeeland is hij een nieuwkomer die zichzelf in de negentiende eeuw vestigde en nu de talrijkste steltloper van het land is.

Australische steltkluut (Himantopus leucocephalus)
Foto: John Manger, CSIRO — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zeer luidruchtig en moeilijk te missen: een scherp, blaffend kik-kik-kik, dat onmiddellijk begint zodra iemand een kolonie nadert en dat het best met het keffen van een klein hondje te vergelijken is. Een groep die opvliegt maakt er een aanhoudend, nasaal koor van. Bij het nest gaat het over in langere, klagende reeksen, vaak terwijl de vogel met hangende poten boven de indringer blijft cirkelen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke, hoge steltloper van vijfendertig centimeter waarvan het lijf wit is, met een glanzend groenzwarte mantel en zwarte vleugels, en met zwart op achterhoofd en achterhals dat als een kap of een brede band doorloopt. De snavel is lang, kaarsrecht, naaldfijn en gitzwart; het oog is rood. De poten zijn buitensporig lang en helder roze, en steken in de vlucht ruim een handbreed voorbij de staart — het beslissende kenmerk in silhouet. De ondervleugel is geheel zwart. Jonge vogels hebben een grijsbruin gevlekte achterhals in plaats van een zwarte, bruine veerzomen op de rug en dofroze poten.

Verwarrings­soorten

De zwarte steltkluut (Himantopus novaezelandiae) van het Mackenzie-bekken is als volwassen vogel geheel zwart en dus meteen anders, maar de jonge vogels en vooral de kruisingen tussen beide soorten zijn de echte valkuil: die dragen een wisselende hoeveelheid zwart op borst, buik en flanken en een vuile, onregelmatige kap — een zuivere Australische steltkluut heeft altijd een spierwitte borst en buik. De bandsteltkluut (Cladorhynchus leucocephalus) mist het zwart op de achterhals, draagt een kastanjebruine borstband, heeft kortere poten die nauwelijks voorbij de staart komen en zwemt geregeld, wat deze soort niet doet. De Australische kluut (Recurvirostra novaehollandiae) heeft een duidelijk opgewipte snavel en een kastanjebruine kop.

Leefgebied

Vrijwel elk ondiep water: estuaria en slikplaten, zoutkwelder, zoetwatermoeras en rietkraag, meren en stuwmeren, claypans (ondiepe kleikom die na regen tijdelijk water vasthoudt) die na regen vollopen, rijstvelden en afvalwaterbekkens. Hij heeft een open, modderige oever nodig en water waar hij tot boven de knie in kan staan. Broeden doet hij in losse kolonies van gemiddeld zo'n vijftien paren op een kale oever of een eilandje, in een kuiltje dat bij stijgend water met plantenresten wordt opgehoogd.

Verspreiding en trek

Overal in Australië waar water staat, van de kustestuaria tot ver in het binnenland, en met de regenval verschuivend: na goede regens verschijnen er steltkluten op binnenlandse meren waar jarenlang niets stond. In Nieuw-Zeeland komt hij op beide hoofdeilanden algemeen voor, met de grootste aantallen op de estuaria en de vlechtende rivieren; het land werd pas in de negentiende eeuw op eigen kracht gekoloniseerd, waarna de populatie tot ongeveer dertigduizend vogels groeide. Op Norfolk is hij een enkele keer gezien.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem niet, maar luister: het keffende alarm verraadt een kolonie al van honderden meters. Let bij elke groep in Nieuw-Zeeland op vogels met zwart op borst of buik — dat zijn geen jonge Australische steltkluten maar kruisingen of echte zwarte steltkluten, en die melding is voor de bescherming waardevol.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in beide landen algemeen. De soort profiteert juist van menselijk waterbeheer: afvalwaterbekkens, veedrinkplaatsen, rijstvelden en zoutpannen leveren precies het ondiepe, insectenrijke water dat hij nodig heeft, en anders dan veel inheemse Nieuw-Zeelandse vogels houdt hij zich staande tussen de ingevoerde roofdieren. De enige plaats waar zijn succes een probleem is, is het Mackenzie-bekken, waar hij door kruising het voortbestaan van de zwarte steltkluut bedreigt.

Wetenschappelijke naam

Himantopus leucocephalus | Gould, 1837

Gould beschreef de soort in 1837 als Himantopus leucocephalus, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Himantopus werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Griekse himas, himantos, 'riem' of 'veter', en pous, 'voet', naar de dunne, riemachtige poten. leucocephalus betekent 'witkoppig'. Als typelocatie geldt Australië. Lange tijd werd de vogel als ondersoort van de steltkluut van de Oude Wereld (Himantopus himantopus) beschouwd; de Māori-naam is poaka.