Alle soortenSteltloperachtigenKluten › Zwarte steltkluut

Zwarte steltkluut | Himantopus novaezelandiae

Black Stilt | Cigueñuela negra

De zwarte steltkluut of kakī is de zeldzaamste steltloper ter wereld: een geheel zwarte vogel op lange rode poten, die alleen nog broedt op de vlechtende rivieren van het Mackenzie-bekken op het Zuidereiland. In 1981 waren er nog drieëntwintig volwassen vogels over. Dat de soort er nog is, is het resultaat van veertig jaar eieren rapen, kunstmatig uitbroeden en jongen uitzetten.

Zwarte steltkluut (Himantopus novaezelandiae)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoge, blaffende roep die sterk aan die van de Australische steltkluut doet denken maar zachter, lager en langzamer is, met langer aangehouden noten: jek … jek … jek, eerder klagend dan kefferig. Bij het nest en tegenover een indringer gaat het over in een snellere, aanhoudende reeks, terwijl de vogel met bungelende poten boven het riviergrind cirkelt. Een gemengd paar van beide soorten roept hoorbaar door elkaar heen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een steltloper van veertig centimeter die als volwassen vogel volledig zwart is, met een groene glans over rug en vleugels, een dun en kaarsrecht gitzwart snaveltje, een rood oog en lange, dieproze tot rode poten. Hij is duidelijk groter, zwaarder en korter van poot dan de Australische steltkluut. Jonge vogels zijn juist grotendeels wit op kop, hals en borst met een zwart oogvlek en een zwarte band over de borst, en worden pas in hun eerste of tweede jaar geheel zwart; een vogel in dat overgangskleed lijkt dus op een kruising zonder er een te zijn.

Verwarrings­soorten

De Australische steltkluut (Himantopus leucocephalus) staat vaak in dezelfde plas en heeft altijd een spierwitte borst en buik en een zwarte kap op een witte kop. Moeilijk zijn de kruisingen tussen beide soorten, die in het Mackenzie-bekken regelmatig voorkomen: die dragen een wisselende hoeveelheid zwart over borst en buik, vaak in een vuile, onregelmatige vlek, en houden het midden tussen beide ouders. Een jonge zwarte steltkluut is daarvan te onderscheiden doordat het zwart in de loop van de eerste jaren blijft uitbreiden tot het hele kleed zwart is, terwijl een kruising zijn tussenkleed houdt. De bandsteltkluut (Cladorhynchus leucocephalus) komt in Nieuw-Zeeland niet voor en is bovendien wit met een bruine borstband.

Leefgebied

Vlechtende rivieren: brede beddingen van los grind met ondiepe zijgeulen, kwelplekken en modderige randen, waar hij in het ondiepe water naar eendagsvliegenlarven, kokerjuffers en watermijten zoekt. Daarnaast bezoekt hij aangrenzende moerassen, kwelzones en oevers van de stuwmeren van de Waitaki. Een deel van de vogels trekt in de winter naar noordelijke havens en estuaria, tot ongeveer zeshonderd kilometer ver, maar de meeste blijven ook in de winter in het bekken. Het nest is een kuil op een kale grindbank, vaak vlak bij stromend water.

Verspreiding en trek

Endemisch in Nieuw-Zeeland, en tegenwoordig alleen nog in het Mackenzie-bekken van Zuid-Canterbury en Noord-Otago: de bovenloop van de Waitaki met de Tasmanvallei, de Godley en de oevers van Lake Tekapo/Takapō en de Ōhau. Voor de komst van de mens broedde de soort veel wijder verspreid, tot op het Noordereiland toe; die oude verspreiding is in de negentiende eeuw verdwenen.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de vroege ochtend naar een uitkijkpunt over een grindrivier in het Mackenzie-bekken en scan de zijgeulen; kakī zijn plaatsvast en staan vaak dicht bij het water. Een geheel zwarte steltkluut in Nieuw-Zeeland is altijd deze soort. Blijf in de broedtijd, van augustus tot december, van de riviergrinden af: een paar dat je op de bedding ziet lopen verlaat bij verstoring het nest, en die eieren zijn stuk voor stuk van betekenis.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd (CR) en in Nieuw-Zeeland ingedeeld als 'nationaal kritiek'. In de jaren veertig waren er nog vijfhonderd tot duizend vogels; in 1981 bereikte de soort haar dieptepunt met drieëntwintig volwassen vogels. Sindsdien draait een intensief herstelprogramma vanuit het kakī-kweekcentrum van het Department of Conservation bij Twizel, samen met de Isaac Conservation and Wildlife Trust bij Christchurch: eieren worden uit wilde nesten gehaald, kunstmatig uitgebroed, de jongen worden opgekweekt en op een leeftijd van drie tot negen maanden uitgezet. In 2025 gingen zo honderdachtenveertig jonge vogels de rivieren in, vijfenzeventig bij Lake Tekapo/Takapō en drieënzeventig in de Tasmanvallei; ongeveer dertig procent van de uitgezette vogels haalt de volwassenheid. Het aantal wilde volwassen vogels stond in augustus 2023 op honderdnegenenzestig en in 2025 op ongeveer honderdeenenveertig, tegenover vier productieve broedparen in 1999 en eenenveertig paren in 2024 — het herstel is reëel, maar het bestand schommelt van jaar tot jaar. De bedreigingen zijn ingevoerde roofdieren (fretten, hermelijnen, verwilderde katten, egels en ratten), het dichtgroeien van de vlechtende rivieren met uitheemse lupine, wilg en brem, die de kale grindbanken doen verdwijnen en roofdieren dekking geven, wateronttrekking en stuwing voor waterkracht, landbouwintensivering in het bekken, overstromingen en verstoring door terreinwagens en vissers. Daarnaast speelt hybridisatie een reële rol: de Australische steltkluut vestigde zich in de negentiende eeuw in Nieuw-Zeeland en telt er nu ongeveer dertigduizend vogels tegenover ruim honderd kakī, zodat een kakī die geen soortgenoot vindt met een Australische steltkluut paart. De nakomelingen zijn vruchtbaar; genetisch onderzoek uit 2020 en 2021 laat zien dat er weliswaar gekruist wordt maar dat het kakī-genoom nog niet is opgegaan in een hybride zwerm, wat het beheer van gemengde paren tot een kernonderdeel van het programma maakt.

Wetenschappelijke naam

Himantopus novaezelandiae | Gould, 1841

Gould beschreef de soort in 1841 als Himantopus novaezelandiae, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Himantopus werd in 1760 ingevoerd door Brisson, naar het Griekse himas, himantos, 'riem' of 'veter', en pous, 'voet', naar de dunne, riemachtige poten. novaezelandiae betekent 'van Nieuw-Zeeland', en dat is ook de typelocatie. De Māori-naam kakī is de naam waaronder de soort in Nieuw-Zeeland vrijwel altijd wordt aangeduid, ook in officiële stukken.