Alle soorten › Steltloperachtigen › Kluten › Australische kluut
Australische kluut | Recurvirostra novaehollandiae
Red-necked Avocet | Avoceta australiana
De Australische kluut is de enige kluut van het werelddeel: een spierwitte vogel met zwarte vleugeltekening, een diep kastanjebruine kop en hals, en een lange zwarte snavel die als een els omhoog krult. Hij maait daarmee zijdelings door het ondiepe water, en grote groepen doen dat allemaal tegelijk, in hetzelfde ritme. Waar hij verschijnt, hangt volledig af van waar het de afgelopen maanden geregend heeft.
Geluid
Een helder, fluitend toet-toet, doorgaans in tweeën of drieën, met daartussen kortere jankende en piepende noten. Een opvliegende groep levert een ver dragend, hol koor op dat in de literatuur steevast met blaffende honden in de verte wordt vergeleken. Bij het nest klinkt een scherper, nerveus alarm.
Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Kyeemagh, Rockdale City Council, New South Wales, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een grote, slanke steltloper van veertig tot vijfenveertig centimeter, zuiver wit van lijf met zwarte schouderstrepen en zwarte handpennen die in de vlucht een zwart-wit bandenpatroon geven. Kop en hals zijn diep roodbruin tot kastanjekleurig, met een smalle witte oogring die op afstand als een lichte vlek in het bruin opvalt. De snavel is lang, gitzwart, naaldfijn en duidelijk omhoog gebogen — bij het mannetje sterker gekromd dan bij het vrouwtje. De poten zijn lang en bleek blauwgrijs, en steken in de vlucht voorbij de staart uit. Man en vrouw zien er verder gelijk uit en er is geen seizoenskleed; jonge vogels hebben een doffere, bruinere kop.
Verwarringssoorten
Geen andere kluut komt in dit gebied voor, dus de opgewipte snavel samen met de bruine kop is beslissend. Op afstand en in tegenlicht kan hij tussen de bandsteltkluut (Cladorhynchus leucocephalus) staan, die even wit oogt maar een rechte snavel heeft, een kastanjebruine band over de borst in plaats van een bruine kop, en kortere poten. De Australische steltkluut (Himantopus leucocephalus) is slanker, hoger op de poten, heeft een kaarsrechte snavel en zwart op de achterhals. Een groep kluten die samen door het water maait valt al aan het gedrag te herkennen, nog voordat de snavelvorm zichtbaar is.
Leefgebied
Ondiep zout, brak en zoet water in open landschap: zoutmeren en zoutpannen van het binnenland, claypans (ondiepe kleikom die na regen tijdelijk water vasthoudt) en efemere meren die na regen vollopen, estuariene slikplaten, zoutkwelder, stuwmeren en de bassins van zoutwinning en afvalwaterzuivering. Hij wil ruimte en een lage, kale oever; dichte rietkragen mijdt hij. Broeden gebeurt in losse kolonies op kale eilandjes en oevers, in een uitgeschraapte kuil die met plantenresten wordt gevoerd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Endemisch in Australië en over vrijwel het hele vasteland verspreid, met het zwaartepunt in het zuiden en het westen; langs de noordelijke en noordoostelijke kust is hij schaars. Hij broedt vooral in het droge binnenland — de zoutmeren rond Lake Eyre en de binnenlandse vlaktes van West-Australië — van augustus tot november, en zwerft daarbuiten in groepen naar waar water staat. In droge jaren hopen de aantallen zich op bij de kust, op plekken als de Coorong in Zuid-Australië, de zoutvelden van Dry Creek bij Adelaide en het afvalwaterterrein van Werribee bij Melbourne. In Tasmanië en op Kaap York is hij niet meer dan een toevallige gast, en Nieuw-Zeeland bereikt hij niet.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem op een grote, ondiepe zoutplas met een kale oever, en scan liever op kleur dan op vorm: de kastanjebruine kop verraadt een groep over honderden meters open water, terwijl het witte lijf in de hitte vervaagt. Let op het maaien — de kop zwenkt zijdelings heen en weer met de snavelpunt net onder water — want dat gedrag hoort bij geen enkele andere steltloper in Australië.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in alle deelstaten waar hij voorkomt als veilig ingeschaald. Zijn kracht zit in het zwerfgedrag: hij is niet van één moeras afhankelijk maar volgt de regen, en de aanleg van stuwmeren, afvalwaterbekkens en zoutwinningsbassins heeft er permanente, veilige toevluchtsoorden bij opgeleverd voor de droge jaren. Wel kunnen langdurige droogte en de onttrekking van water uit de binnenlandse riviersystemen hele broedseizoenen doen mislukken, en gaan nesten in kolonies verloren aan vossen en verwilderde katten zodra een eilandje bij dalend waterpeil met het land verbonden raakt.
Wetenschappelijke naam
Recurvirostra novaehollandiae | Vieillot, 1816
Vieillot beschreef de soort in 1816 als Recurvirostra novaehollandiae, en in dat geslacht staat ze nog steeds, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Het geslacht Recurvirostra werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus, naar het Latijnse recurvus, 'achterovergebogen', en rostrum, 'snavel'. novaehollandiae betekent 'van Nieuw-Holland', de toenmalige naam voor Australië, en dat geldt ook als typelocatie. In Australië heet de vogel in de volksmond cobbler's awl, de els van de schoenmaker, naar diezelfde snavel.




