Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Aziatische steenpatrijs
Aziatische steenpatrijs | Alectoris chukar
Chukar Partridge | Perdiz chucar
De Aziatische steenpatrijs is een forse, grijze patrijs van de droge, steenachtige hooglanden van het Zuidereiland, in de jaren twintig van de vorige eeuw uit Azië ingevoerd als jachtwild. Het zwarte halssnoer rond een roomwitte keel, de scherp gebande flanken en de koraalrode snavel en poten maken hem meteen herkenbaar. Ondanks tachtig jaar uitzetten is hij nooit talrijk geworden en loopt zijn gebied terug.
Geluid
Het geluid heeft de soort haar naam gegeven: een luid, schril en snel aangezwengeld gekakel dat als tsjuk-er-tsjuk-er-tsjukár-tsjukár klinkt, versnellend en in toonhoogte stijgend, vanaf een rotsblok of een hellingrand gegeven en over een hele vallei hoorbaar. Hij roept het meest in de vroege ochtend en tegen de avond, en in het voorjaar het felst. Bij onraad klinkt een scherp, herhaald tsjuk, en een opvliegende groep laat een hard geratel van vleugels horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen, rondgebouwde patrijs van eenendertig centimeter en een half tot zes ons — veel groter en zwaarder dan alle kwartels van het gebied. De bovenzijde is asgrijs met roestbruin op kruin en schouders, de borst effen grijs, de buik geelbruin. Bepalend is de koptekening: een scherpe zwarte band loopt over het voorhoofd, door het oog en langs de halszijde naar beneden en sluit als een gesloten halssnoer rond een roomwitte kin en keel. De flanken dragen brede, scherpe dwarsbanden in zwart, wit en kastanjebruin. De snavel is helderrood, de poten rozeïg rood, en om het donkere oog ligt een rode, kale oogring. Man en vrouw lijken op elkaar; het vrouwtje is iets kleiner en mist de spoor.
Verwarringssoorten
In Nieuw-Zeeland is de californische kuifkwartel (Callipepla californica) de vogel waarmee hij het vaakst wordt verward: die is met vijfentwintig centimeter kleiner, draagt een zwart, naar voren gebogen pluimpje op de kop, heeft een schubtekening op de buik in plaats van dwarsbanden op de flank en mist het zwarte halssnoer. De rode patrijs (Alectoris rufa), die in kleine aantallen in het land is uitgezet, is de echte valkuil: bruiner op de rug, met meer kastanjebruin in de flankbanden, een witte wenkbrauwstreep, en vooral een halssnoer dat onderaan uitrafelt in losse strepen in plaats van een gesloten zwarte band te vormen. De fazant (Phasianus colchicus) is veel groter en langstaartig en zit in lager, groener land. In Australië komt de soort niet voor.
Leefgebied
Droog, steenachtig heuvel- en hoogland ten oosten van de Zuidelijke Alpen: schalie- en steenpuinhellingen, rotsuitbulten, korte tussockvelden en open struweel van matagouri en brem, tot ongeveer tweeduizend meter hoogte. Hij heeft rotsen nodig om op te roepen en onder te schuilen en kale grond om op te lopen, en mijdt natte, mistige en dichtbegroeide streken. In de winter zakt hij lager langs de hellingen af.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het hoogland van het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland, van Marlborough door Canterbury tot Otago. De grootste populaties zitten bij Nelson Lakes, in de Seaward Kaikoura Range, in het Mackenzie-bekken en in de bergketens van Centraal-Otago; bij Cape Campbell duikt hij soms op laag niveau op. De uitzettingen op het Noordereiland, in Hawke's Bay en de Bay of Plenty, hebben niet standgehouden. De bezetting is versnipperd en op veel plaatsen aan het inkrimpen.
- Jaarrond
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in het voorjaar een hoge, droge zijvallei in Centraal-Otago of het Mackenzie-land in en stop bij zonsopgang bij een hellingrand met rotsblokken; het kakelende tsjukár draagt kilometers ver en wijst de vogel aan. Zoek het silhouet op de top van een rotsblok, want hij roept graag vanaf een uitkijkpost. Loopt er een groepje over een scree-helling weg, kijk dan naar de flank: brede zwart-wit-kastanjebruine banden zijn op die afstand het enige wat je nodig hebt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC), met een zeer groot areaal in Azië, maar in Nieuw-Zeeland gaat het om een kleine, versnipperde en krimpende populatie, ondanks meer dan tachtig jaar kweken en bijzetten. Hard winterweer, predatie door geïntroduceerde marterachtigen en door inheemse roofvogels houden de aantallen laag. Hij is jachtwild en mag van mei tot en met augustus worden bejaagd, behalve in Hawke's Bay, waar de na 1987 uitgezette vogels volledig beschermd zijn. Voor het inheemse ecosysteem geldt hij niet als schadelijk, maar hij is wel een exoot die inheems hoogland gras begraast.
Wetenschappelijke naam
Alectoris chukar | (Gray, 1830)
John Edward Gray beschreef de soort in 1830 als Perdix chukar, in de Illustrations of Indian Zoology van Hardwicke; door de latere overgang naar Alectoris staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton is klanknabootsend en komt via het Hindi chakor rechtstreeks van de roep. Het geslacht Alectoris werd in 1829 ingevoerd door Kaup, naar het Griekse alektoris, 'hen'. Als typelocatie geldt Srinagar in Kumaon, in het noorden van India.


