Alle soorten › Hoenderachtigen › Tandkwartels › Californische kuifkwartel

Californische kuifkwartel | Callipepla californica

California Quail | Colín de California

De Californische kuifkwartel is de gewoonste hoenderachtige van het Nieuw-Zeelandse boerenland en op Norfolk niet minder algemeen. Hij komt uit het westen van Noord-Amerika en is hier in 1862 losgelaten. Het zwarte, naar voren gebogen pluimpje op de kop en de zwarte schubtekening op de buik maken hem meteen herkenbaar.

Californische kuifkwartel (Callipepla californica)
Foto: Jörg Hempel — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Geluid

De roep van het mannetje is een driedelig, hol en nadrukkelijk kwa-kwer-go, met de klemtoon op de middelste lettergreep; hij roept vanaf een paalkop, een hek of een struik en het geluid draagt ver over open land. Daarnaast een scherp, kort pit-pit als contactroep en bij onraad. Een opvliegende troep barst uit in een verward gekakel van korte, hoge noten; dat en het luide klapperen van de vleugels is meestal het eerste teken.

Luister: RoepXC109825

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Fremont Older Open Space Preserve, Santa Clara, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Vijfentwintig centimeter, gedrongen en kortstaartig, met een zwart, naar voren overhangend pluimpje van enkele veren op de kruin. Het mannetje heeft een zwarte kin en wang, omlijst met wit, en een witte wenkbrauwstreep die op het voorhoofd samenkomt; borst en nek zijn blauwgrijs, de kruin bruin, en de buik is roomkleurig tot roestbruin met scherpe zwarte schubranden. Het vrouwtje is doffer en bruiner, zonder koptekening en met een kleiner pluimpje, maar heeft dezelfde schubbuik. Jonge vogels zijn gestreept en nog kuifloos. Hij loopt in troepen van tien tot honderd en vliegt kort en snel weg.

Verwarrings­soorten

De bruine kwartel (Synoicus ypsilophorus) leeft in hetzelfde land maar is kleiner, egaler bruin gevlekt en heeft geen pluim; hij drukt zich tot je er bijna op staat en vliegt dan laag weg. De Aziatische steenpatrijs (Alectoris chukar) van de droge oostelijke hooglanden is een stuk groter, heeft een rode snavel en rode poten en scherpe zwarte dwarsbanden op de flank, en mist eveneens de pluim. Verder komt in het gebied geen kwartelachtige met een kuif voor.

Leefgebied

Onbewerkt, open struweelland: adelaarsvaren, matagouri, brem, braam, tutu en lupine op verlaten weide en op droge terrassen, met kaal loopvlak ertussen. Ook akkerranden, wegbermen, tuinen en golfbanen, mits er dekking op loopafstand is. Dicht bos mijdt hij, en kortgemaaid, uniform grasland zonder struiken evenzeer; hij heeft een rand nodig, geen veld. Op Norfolk zit hij in dezelfde soort verruigd land rond de akkers.

Verspreiding en trek

Van huis uit het westen van Noord-Amerika, van zuidelijk Oregon tot Neder-Californië. De eerste vogels werden in 1862 bij Papakura losgelaten, gevolgd door uitzettingen bij Nelson, Auckland, Wellington, Canterbury en Otago. Nu is hij het talrijkst van Northland tot de Waikato, in het binnenland van de Bay of Plenty, langs de kust van de Wairarapa, in Nelson en Marlborough, in Noord-Canterbury en op Banks Peninsula; in Southland, langs de westkust, in de Zuidelijke Alpen en op de Chathams ontbreekt hij vrijwel. Op Norfolk is hij gevestigd. In Australië hebben de uitzettingen niet standgehouden en zijn de meldingen tegenwoordig schaars.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd of loop in de vroege ochtend langs een landweg met bremhagen of braamranden en let op de silhouetten op de paalkoppen: dat is bijna altijd een roepend mannetje, en het pluimpje tekent zich tegen de lucht af. In de zomer, van december tot februari, loopt een troep met tien of meer donsjongen achter de ouders aan over het pad; blijf staan en laat ze passeren, want bij achtervolging spatten ze in de dekking uiteen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in Nieuw-Zeeland stevig gevestigd, met plaatselijk hoge dichtheden op boerenland. Hij is een jachtvogel en wordt in het najaar bejaagd, zonder dat dat de stand aantast. Schade van betekenis richt hij niet aan en hij dringt het inheemse bos niet binnen; de dichtheden zwalken wel sterk met de winters en met het beheer van struweel, want ruigte die wordt opgeruimd betekent minder vogels.

Wetenschappelijke naam

Callipepla californica | (Shaw, 1798)

Shaw beschreef de soort in 1798 als Tetrao californicus, bij de ruigpoothoenders; door de latere overgang naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Wagler voerde Callipepla in 1832 in, uit het Griekse kalli-, 'mooi', en peplos, 'gewaad': de fraai geklede. californica betekent 'van Californië'. De typelocatie is Californië, later vastgelegd op Monterey, waar de vogel op een van de ontdekkingsreizen langs de westkust werd verzameld.