Alle soorten › Hoenderachtigen › Parelhoenders › Helmparelhoen
Helmparelhoen | Numida meleagris
Helmeted Guineafowl | Gallina de Guinea
Het helmparelhoen is een Afrikaanse savannevogel die in Australië en Nieuw-Zeeland van het erf is weggelopen. Het leigrijze kleed met duizenden witte druppels is onmiskenbaar, en zo ook de kale blauw-en-rode kop met de benige helm erop. Zelfstandige troepen zijn er wel, maar ze houden zich vrijwel altijd binnen loopafstand van een boerderij.
Geluid
Luidruchtig en moeilijk te missen. Het vrouwtje roept een tweelettergrepig, doordringend boek-wiet dat over hele weilanden draagt; het mannetje houdt het bij een enkel, herhaald tsjek. Bij onraad barst de hele troep los in een hard, ratelend kek-kek-kek-kek-krrrrr dat pas ophoudt als de vogels lopend zijn weggekomen. Ze roepen het meest bij het opvliegen naar de slaapboom in de schemering.
Opname: Kileo Jumah — CC0 · Ngorongoro Conservation Area (crater floor), Arusha, Tanzania · xeno-canto
Herkenning
Zesenvijftig centimeter, een bolle vogel met een gebogen rug, een kleine kop en een korte nek, waardoor hij van opzij op een omgekeerde druppel lijkt. Het kleed is leigrijs tot zwart en van kop tot staart bezaaid met ronde witte parels; op afstand oogt de vogel gewoon grijs. De kop is kaal en blauwwit met rode lellen en draagt een beenachtige, hoornkleurige helm die bij het mannetje hoger is. Poten en snavel zijn donker. Jonge vogels zijn bruiner, met een korte helm en donzige veertjes op kop en nek. Hij loopt veel en vliegt kort, laag en luid.
Verwarringssoorten
In het gebied is er geen tweede grijze, wit gestippelde hoenderachtige, zodat verwisseling vooral op afstand ontstaat. De kalkoen (Meleagris gallopavo) is twee keer zo groot, donkerbruinzwart en zonder parels. De Australische boskalkoen (Alectura lathami) heeft eveneens een kale rode kop, maar geen helm, geen stippen en een hoge, zijdelings platte staart. Een groep parelhoenders die door een weiland loopt, wordt ook wel voor jonge kalkoenen aangezien; de gedrongen bouw, de korte nek en het roepen zetten dat recht.
Leefgebied
Beweid grasland met opslag, akkerranden, erven en boomgaarden, en in Nieuw-Zeeland ook manuka- en bremstruweel op verlaten weide. Hij heeft een mozaïek nodig: open grond om te scharrelen, dichte dekking om in te schuilen en bomen om in te slapen. Uniform, kort grasland zonder struiken laat hij links liggen, en waar zwaar met bestrijdingsmiddelen wordt gewerkt verdwijnt hij, want hij leeft voor een groot deel van insecten. In Afrika is dit dezelfde vogel van de open savanne.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Van huis uit heel Afrika bezuiden de Sahara, van de Sahel tot de Kaap. In Nieuw-Zeeland werd hij vanaf de jaren zestig van de negentiende eeuw uitgezet; die pogingen mislukten, en wat er nu rondloopt stamt van later ontsnapte erfvogels. Tussen 1999 en 2004 werd hij in minder dan een procent van het land gevonden, vrijwel alleen op het boerenland rond Auckland en de Kaipara. In Australië is het beeld hetzelfde: verspreide troepen rond boerderijen en dorpen in het oosten en het zuidwesten, zonder aaneengesloten areaal. Nergens in het gebied is de soort onafhankelijk van menselijk erf.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet in natuurgebied maar langs de weg door boerenland: erven, veeroosters, maïsstoppel en de bermen van landwegen in de vroege ochtend. Een troep die in ganzenpas over een weide loopt en bij nadering wegdraaft in plaats van opvliegt, is bijna zeker deze soort. Let op de slaapbomen in de schemering: dan verraadt het gekrijs bij het opvliegen waar de troep zit.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC) en in Afrika algemeen. In Nieuw-Zeeland is de wilde stand klein en waarschijnlijk niet uit eigen kracht in stand te houden; hij wordt steeds aangevuld met vogels die van het erf ontsnappen. In Australië geldt hetzelfde. De soort geldt in geen van beide landen als schadelijke exoot: hij vreet aan jonge gewassen, maar eet daarnaast grote aantallen insecten, en een vestiging in natuurgebied is nooit vastgesteld.
Wetenschappelijke naam
Numida meleagris | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Phasianus Meleagris, bij de fazanten; omdat hij later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Linnaeus voerde Numida zelf in, in 1764, naar Numidia, de Romeinse naam voor het noorden van Afrika. meleagris is de klassieke Griekse naam voor het parelhoen: de zusters van Meleager zouden in deze vogels zijn veranderd, en hun tranen werden de witte parels op het verenkleed. De typelocatie is Nubië aan de bovenloop van de Nijl, naar het exemplaar van Hasselquist.



