Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Aziatische wespendief
Aziatische wespendief | Pernis ptilorhynchus
Crested Honey Buzzard | Abejero oriental
De Aziatische wespendief is de enige roofvogel van dit gebied die van wespen- en bijennesten leeft: een slanke, langstaartige buizerdachtige met een opvallend klein, bijna duivenachtig kopje op een lange dunne hals. In Australië broedt hij niet — hij is hier een noordelijke doortrekker en wintergast die alleen het uiterste noorden bereikt.
Geluid
Een zwijgzame vogel, en in Australië hoor je hem vrijwel nooit. Waar hij wel roept, vooral in het broedgebied in Noordoost-Azië, klinkt een hoge, ijle fluittoon die aan het eind iets opwipt: wie-wieuw of tweelettergrepig pie-luu, dunner en muzikaler dan het blaffen van een havik. Daarnaast zijn er schorre, rauwe kreten bij het nest. Reken er in het veld niet op dat hij zich verraadt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Ongeveer even groot als een zwarte wouw, maar heel anders gebouwd. De kop is klein en de hals lang en dun, zodat het silhouet in de vlucht eerder aan een koekoek of een duif doet denken dan aan een roofvogel. De vleugels zijn lang, aan de basis smal en eindigen in zes duidelijk gespreide vingers; de staart is lang en afgerond. Volwassen vogels tonen op de staart twee brede donkere banden dicht bij de basis en een derde brede band aan het eind — een patroon dat geen enkele Australische roofvogel evenaart. Het kleed loopt van vrijwel wit tot donkerbruin; veel vogels hebben een donkere keelstreep. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop en een donker oog, het vrouwtje een bruine kop en een geel oog. De korte nekkuif ligt meestal plat.
Verwarringssoorten
De zwarte wouw (Milvus migrans) is even groot en even bruin, maar heeft een gevorkte staart, een grotere kop en een veel losser, wiebelend vlieggedrag. De wigstaartwouw (Haliastur sphenurus) is bleker en ruiger van kop en toont onder de vleugel een lichte M-tekening die de wespendief mist. De kortstaartwouw (Lophoictinia isura) heeft een wit gezicht en een recht afgesneden staart. Bij twijfel beslist het kopje: bij geen andere roofvogel hier steekt zo'n klein hoofd op zo'n lange, smalle hals naar voren, en geen andere heeft die drie brede staartbanden.
Leefgebied
In het noorden van Australië houdt hij zich op bij moessonbos, vine thicket en de randen van tropisch regenwoud, en verder in savanne met eucalyptus langs kreken en in de groene buitenwijken en parken van Darwin. Hij jaagt laag en zoekend boven het kronendak, en graaft in de broedgebieden wespennesten uit de grond; in Australië lijkt hij het vooral op insecten en kleine gewervelden te houden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het uiterste noorden: de Kimberley, het Top End rond Darwin en Kakadu, en Kaap York, met een zeldzame waarneming verder zuidwaarts. De vogels horen tot de noordelijke ondersoort orientalis, die in Siberië, Noordoost-China en Japan broedt en in Zuidoost-Azië overwintert; een klein deel trekt door tot in Australië en verschijnt hier vooral tussen oktober en april, terwijl sommige vogels de zuidelijke winter blijven hangen. Broeden doet hij hier niet, en Nieuw-Zeeland bereikt hij nooit.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in het Top End midden op de dag, wanneer de thermiek staat en roofvogels boven de bosrand cirkelen. Loop de cirkelende vogels stuk voor stuk af en let alleen op de kop: het kleine, vooruitgestoken kopje op een dunne hals valt op zodra je erop let, ook als het kleed niets prijsgeeft. De tuinen en golfbanen van Darwin en de bosranden langs de Arnhem Highway leveren de meeste waarnemingen op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een wereldwijd gebied dat van Siberië tot Indonesië loopt en een populatie in de honderdduizenden. Australië draagt voor deze soort geen broedverantwoordelijkheid — de vogels die hier komen zijn gasten. De druk ligt elders: grootschalige vangst en afschot van trekkende roofvogels op de smalle doorgangen in Zuidoost-Azië, en het verdwijnen van bos in de broedgebieden. Binnen Australië is hij te schaars en te ongelijkmatig om een trend aan af te lezen.
Wetenschappelijke naam
Pernis ptilorhynchus | (Temminck, 1821)
Temminck beschreef de vogel in 1821 als Falco ptilorhyncus; omdat hij later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pernis werd in 1816 ingevoerd door Cuvier en gaat terug op het Griekse pernes, de naam van een roofvogel bij Aristoteles. ptilorhynchus is gevormd uit ptilon 'veer' en rhunkhos 'snavel' en wijst op de dichte, schubachtige veertjes rond de snavelbasis, die het gezicht beschermen tegen wespensteken. De typelocatie is Java. De Nederlandse en Engelse naam verwijzen allebei naar de nesten van sociale wespen waarvan hij de larven eet; 'Crested' in de Engelse naam slaat op de korte nekkuif.



