Alle soorten › Zangvogels › Heggenmussen › Bastaardnachtegaal
Bastaardnachtegaal | Prunella modularis
Dunnock | Acentor común
De bastaardnachtegaal is de onopvallendste van alle vogels die de acclimatisatiegenootschappen in Nieuw-Zeeland hebben losgelaten, en tegelijk een van de best geslaagde: een grijsbruin, gestreept vogeltje dat muisstil onder de heg door schuifelt. Tussen 1865 en 1896 kwam hij uit Engeland, in de overtuiging dat hij het ongedierte uit de boomgaarden zou halen. Hij is nu overal in het zuiden, tot op de subantarctische eilanden.
Geluid
Het geluid dat hem in Nieuw-Zeeland verraadt is een hoog, dun en doordringend tsiep, één noot tegelijk, vooral in de herfst en winter van maart tot augustus te horen in tuinen, langs hekken en in struweel. De zang is een korte, haastige en wat schrale warreling, in bouw op die van de merel lijkend maar veel ijler en zonder fluitende slotnoot; de vogel draagt hem voor vanaf een hekpaal, een heggetop of een draad, en begint er in het voorjaar vanaf augustus mee.
Opname: Raoul Kima — CC BY-SA 4.0 · Oldenburg, Niedersachsen, Germany · xeno-canto
Herkenning
Een klein, dun gebouwd vogeltje van veertien centimeter, met een spitse, zwarte insectensnavel in plaats van de kegel van een mus. Kop, keel en borst zijn leigrijs, de rug en de vleugels zijn warmbruin met zwarte lengtestrepen, de flanken bruin gestreept en de poten oranjebruin. Man en vrouw zien er hetzelfde uit. Het loopgedrag is even kenmerkend als het kleed: hij schuifelt met gebogen poten en trillende vleugels over de grond, altijd binnen een sprong van dekking, en vliegt zelden verder dan de volgende struik.
Verwarringssoorten
Een vrouwtje huismus (Passer domesticus) is de gewoonste verwisseling: forser, met een zware bleke kegelsnavel, een lichte wenkbrauwstreep en zonder grijs op kop en borst. De Nieuw-zeelandse pieper (Anthus novaeseelandiae) staat hoog op de poten, wipt met de staart en loopt in het open veld, niet onder de heg. Het vrouwtje van de vink (Fringilla coelebs) heeft twee witte vleugelstrepen en witte buitenste staartpennen, die de bastaardnachtegaal allebei mist.
Leefgebied
Tuinen, parken en boomgaarden, weiland met heggen en houtwallen, manuka- en matagouristruweel, jonge dennenplantages en de ruige randen van inheems bos. Hij vraagt niet meer dan een dichte onderlaag met kale grond eronder. In Nieuw-Zeeland komt hij van zeeniveau tot zestienhonderd meter, en op de Auckland-, Campbell- en Antipodeneilanden houdt hij zich staande in tussock en megakruiden, ver buiten alles wat hij in Europa gewend is.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele land, maar zeer ongelijk: talrijk op het Zuidereiland en in het zuiden van het Noordereiland, schaars ten noorden van de Waikato en in de stad Auckland vrijwel afwezig. Daarnaast gevestigd op de Chathameilanden en op de subantarctische Auckland-, Campbell- en Antipodeneilanden. In Australië is hij herhaaldelijk uitgezet maar nooit blijven hangen. Trekken doet hij niet; hij blijft zijn leven lang binnen een paar honderd meter.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet in de lucht maar op de grond, in de schaduwstreep onder een heg of een hoop snoeihout, en let op de beweging van iets kleins en donkers dat wegschuifelt in plaats van wegvliegt. In de winter is de hoge tsiep het beste aanknopingspunt: volg hem en wacht tot het diertje even op de rand van de dekking komt zitten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en in Nieuw-Zeeland gevestigd als exoot. Schade richt hij nauwelijks aan: hij eet vrijwel alleen kleine ongewervelden en zaad, hij nestelt in uitheems struweel dat er toch al staat, en van verdringing van inheemse vogels is geen geval bekend. Van de zeldzame gevallen waarin een uitgezette Europese zangvogel in Nieuw-Zeeland geen kwaad blijkt te doen, is dit het duidelijkste. Zijn broedparasiet is achtergebleven: geen Nieuw-Zeelandse koekoek legt bij hem.
Wetenschappelijke naam
Prunella modularis | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de vogel in 1758 als Motacilla modularis, bij de kwikstaarten; omdat hij later in een ander geslacht kwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prunella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot, naar het Duitse Braunelle, een verkleinvorm van braun, 'bruin'. modularis is Latijn voor 'zingend' of 'modulerend', van modulari. De typelocatie is Zweden. De Nederlandse naam wijst op de zang: een nachtegaal, maar dan van bastaardslag.




