Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Blauwe reiger
Blauwe reiger | Ardea cinerea
Grey Heron | Garza real
De blauwe reiger is de gewone grote reiger van Europa en Azië, en in Australazië juist een van de zeldzaamste vogels die er te zien zijn: een forse grijze reiger van bijna een meter, met een witte kop, een zwarte oogstreep die in een dunne kuif uitloopt, en een zware geelrode dolksnavel. Elk geval hier is er een voor de zeldzaamhedencommissie.
Geluid
Een dwaalgast hoort men zelden roepen, maar het geluid is onmiskenbaar wanneer het klinkt: een luide, schorre, ver dragende kreet bij het opvliegen, in Europa opgeschreven als frarnk. In de kolonie — hier niet te horen, want hij broedt in dit gebied niet — voegt hij daar een keur van gutturale klanken en snavelgeklepper aan toe.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grote reiger van rond de vijfennegentig centimeter, askleurig grijs op rug en vleugels, wit tot grijswit op de onderdelen, met zwarte vlekken over de flanken en een zwarte schoudervlek. De kop en de hals zijn wit; over het oog loopt een zwarte streep die achterop de kruin in twee lange, dunne kuifveren eindigt, en over de voorhals staat een rij zwarte lengtestrepen. De snavel is lang, recht en krachtig, geelroze en in de broedtijd feller oranje. In de vlucht draagt hij de hals ingetrokken, slaat traag en toont een donkere hand tegen een lichtere arm.
Verwarringssoorten
De witnekreiger (Ardea pacifica) is de eerste die men moet uitsluiten: die is eveneens groot en donker, maar heeft kop én hals geheel wit zonder zwarte oogstreep, en witte vlekjes op de vleugeldekveren. De witwangreiger (Egretta novaehollandiae) is veel kleiner, egaal blauwgrijs en heeft alleen het gezicht wit en een donkere, niet gele snavel. De grootsnavelreiger (Ardea sumatrana) van de noordelijke mangrove is donker bruingrijs met een enorme snavel en mist het witte kopdek. Bij een grote grijze reiger met een gele dolksnavel en een zwarte oogstreep die in een kuif eindigt, gaat het om deze soort — maar leg het geval altijd vast, want een oude witwangreiger in slecht licht heeft al vaker voor verwarring gezorgd.
Leefgebied
In zijn broedgebied is hij een vogel van vrijwel elk ondiep water: rivieroevers, sloten, meren, vijvers, estuaria en slikplaten. De weinige vogels die dit kaartvenster bereiken worden op hetzelfde soort terrein gevonden — een estuarium, een meeroever of een rioolwaterbekken —, meestal solitair en vaak tussen de plaatselijke reigers.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedt buiten het kaartvenster, over vrijwel heel gematigd Europa en Azië en in delen van Afrika; de noordelijke broedvogels trekken in de winter zuidwaarts, en die trek levert de uitschieters op. Binnen dit kaartvenster is hij een uiterst zeldzame dwaalgast: de meting over 2015–2024 vond dertien gevallen en veertien waarnemingen, alle uit Australië, en in geen van die tien jaren was hij een jaarlijkse verschijning; uit Nieuw-Zeeland en van Norfolkeiland kwam in die periode niets. Vondsten zijn verspreid en volgen geen vast patroon.
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op hem te vinden — zoek hem door bij elke grote grijze reiger kort de kop te controleren. Het beeld dat telt is de witte kop met de zwarte oogstreep en de zware geelrode snavel; die combinatie heeft geen enkele Australaziatische reiger. Wie denkt er een te hebben, maakt foto's van kop, snavel en vleugel en meldt het geval bij de zeldzaamhedencommissie; zonder beeldmateriaal wordt een geval van deze soort niet aanvaard.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): over Europa en Azië is de soort talrijk en in veel landen toegenomen sinds de jacht erop stopte en de winters zachter werden. Alleen strenge vorstperioden slaan tijdelijk gaten in de noordelijke populaties. Voor dit kaartvenster is instandhouding geen thema: de vogel broedt hier niet en de enkele dwaalgast heeft geen populatie om te beschermen. Wel is het een soort die vervuiling van water en visstand direct doorgeeft, en die daarom in zijn broedgebied als graadmeter geldt.
Wetenschappelijke naam
Ardea cinerea | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea cinerea, en anders dan veel reigers is ze sindsdien in hetzelfde geslacht gebleven, vandaar dat auteur en jaartal geen haakjes dragen. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger' en tevens de naam van de stad Ardea in Latium; cinerea is Latijn voor 'askleurig', naar de grijze bovendelen. De typelocatie was aanvankelijk enkel 'Europa'; Hartert beperkte die in 1920 tot Zweden. De Nederlandse naam 'blauwe reiger' rust op dezelfde grijsblauwe tint, die in het noorden van Europa al eeuwen zo wordt benoemd.


