Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Koereiger
Koereiger | Ardea coromanda
Eastern Cattle Egret | Garceta
De koereiger is de witte reiger die niet in het water staat maar in de wei, tussen de poten van het vee: klein, gedrongen en kortnekkig, met een dikke gele snavel en een opvallende hangende keel. In de broedtijd kleuren kruin, borst en rug oranjebruin. Hij is een van de weinige vogels die op eigen kracht een halve wereld hebben veroverd.
Geluid
In het veld hoort men hem bijna nooit. In de kolonie klinkt een zacht, keelachtig rik-rak, en bij ruzie om een nesttak een hees gekras. Op gezamenlijke slaapplaatsen ontstaat tegen zonsondergang een laag, aanhoudend gepruttel van honderden vogels tegelijk, dat over het water draagt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine, gedrongen witte reiger van ongeveer een halve meter, met een korte dikke hals, een korte dikke gele snavel en een uitpuilende keel die hem het silhouet van een vogel met een onderkin geeft. De poten zijn donker, de houding voorovergebogen. In broedkleed kleuren kruin, borst en mantel oranjebruin — bij de oostelijke vogels loopt dat oranje verder over hals en wangen door dan bij de westelijke — en worden snavel en poten kortstondig rood, met een paarsrode teugel. Buiten de broedtijd is hij geheel wit met gele snavel. In de vlucht is hij compact, met snelle slag en een ingetrokken hals.
Verwarringssoorten
Met de drie witte reigers van de plassen valt hij snel uit elkaar te houden, want hij is kleiner, gedrongener en veel kortnekkiger, en zit meestal op droog land. De middelste zilverreiger (Ardea plumifera) heeft eenzelfde gele snavel maar is een stuk groter en slanker en heeft veel langere poten en hals; de australaziatische kleine zilverreiger (Egretta garzetta) heeft een dunne zwarte snavel; de grote zilverreiger (Ardea alba) is meer dan een kop groter. Een jonge australische witte ibis (Threskiornis molucca) loopt in dezelfde weilanden, maar heeft een lange gebogen zwarte snavel. Het gedrag helpt: waar de andere reigers water zoeken, loopt de koereiger achter grazend vee aan.
Leefgebied
Weiland en veeteeltgrond zijn zijn kerngebied: hij loopt vlak achter of tussen grazende runderen en paarden en pikt de sprinkhanen, krekels, vliegen en kevers weg die daarbij opvliegen. Daarnaast gebruikt hij akkerland, pas gemaaide of pas afgebrande velden, overstroomd grasland, rioolwaterbekkens en de rand van moerassen. Broeden doet hij koloniaal in bomen boven water, meestal tussen andere reigers en ibissen, ver van de weilanden waar hij overdag foerageert.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
In Australië wijdverbreid over het noorden en oosten, van het Top End en de Kimberley door Queensland en Nieuw-Zuid-Wales tot Victoria, het zuidoosten van Zuid-Australië en Tasmanië; de droge binnenlanden en de westelijke woestijnen mijdt hij. Hij vestigde zich er op eigen kracht en broedde er al in de jaren veertig. In Nieuw-Zeeland verscheen hij vanaf de jaren zestig geregeld en is hij een wintergast op het weiland van beide hoofdeilanden, van omstreeks maart tot oktober; hij broedt er niet en de aantallen zijn er sinds de jaren tachtig sterk teruggelopen.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek niet langs het water maar langs het hek: een kudde runderen in een vochtige wei, met een groepje witte vogels dat met de kudde meeschuift, is de zekerste manier. Kijk in de zuidelijke lente naar de kleur — een vogel met oranjebruine kruin en borst is in broedkleed en daarmee meteen gedetermineerd. In Nieuw-Zeeland zijn de wintermaanden juni tot augustus de kans, op melkveeweiden in Waikato, Manawatū en Canterbury.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), en op wereldschaal een van de grootste successen onder de reigers: hij breidde zijn areaal in de twintigste eeuw over vier continenten uit, in het spoor van het vee, en vestigde zich zonder hulp in Australië rond de jaren veertig en in Nieuw-Zeeland vanaf de jaren zestig. De keerzijde is dat zijn lot aan de veehouderij hangt: waar weiland wordt omgezet in akker of intensieve stalhouderij, valt zijn voedselbron weg, en in Nieuw-Zeeland is de wintergastpopulatie daardoor sterk geslonken. Als broedvogel is hij afhankelijk van moerasbomen die niet gekapt worden.
Wetenschappelijke naam
Ardea coromanda | (Boddaert, 1783)
Boddaert beschreef de soort in 1783 als Cancroma coromanda; omdat ze sindsdien van geslacht is gewisseld, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton coromanda verwijst naar de Coromandelkust van India, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Twee eeuwen lang stond de vogel in een eigen geslacht Bubulcus, Latijn voor 'ossenhoeder', precies naar zijn gezelschap; DNA-onderzoek bracht hem terug naar Ardea, het Latijnse woord voor reiger. De oostelijke vogels golden lang als ondersoort van de westelijke koereiger Ardea ibis; de Nederlandse gidsnaam volgt die oude verzamelsoort.


