Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Boeboekuil

Boeboekuil | Ninox novaeseelandiae

Morepork | Nínox maorí

De boeboekuil, in het Maori ruru, is de enige uil die Nieuw-Zeeland nog overhoudt, en zijn tweelettergrepige roep is een van de bekendste nachtgeluiden van het land. Het is een kleine, donkerbruine uil met felgele ogen die zowel in ongerept podocarpenbos als in een stadspark van Wellington zit. Sinds 1999 geldt hij als eigen soort, los van de Australische boeboekuil.

Boeboekuil (Ninox novaeseelandiae)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De naamgevende roep is een helder tweedelig moe-poork of roe-roe, de tweede lettergreep lager, in reeksen herhaald vanaf een vaste tak en vooral in de eerste uren na zonsondergang. Daarnaast hoort bij het repertoire een ratelend kwork-kwork, een stijgend, ijl kwie dat vaak voor een kiwi wordt aangezien, en een jankend gekef dat op de steenuil lijkt. Bij het nest klinkt een zacht gemurmel en van bedelende jongen een aanhoudend, schor gepiep. Wie in een Nieuw-Zeelands bos overnacht, hoort de roep bijna zeker.

Luister: ZangXC668542

Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Whangārei Heads, Whangarei District, Northland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een compacte uil van 29 centimeter en ongeveer 175 gram, zonder oorpluimen. De bovenzijde is donkerbruin met spaarzame vuilwitte vlekken, de borst gestreept in donkerbruin op een crème en rossige ondergrond. De gezichtsschijven zijn donker en lopen zonder scherpe rand weg; ertussen staat een korte, sterk gehaakte snavel. De ogen zijn geel tot geelgroen — dat is het snelste onderscheid met de kerkuilen, die donkere ogen hebben. De poten zijn tot de gele tenen bevederd. De vlucht is stil, snel en wendbaar, met korte glijpauzes tussen dichte stammen door.

Verwarrings­soorten

De steenuil (Athene noctua), geïntroduceerd en alleen op het Zuidereiland, is de enige echte verwarring binnen Nieuw-Zeeland: kleiner en veel bleker grijsbruin, met een plattere kop, een kortere staart, witte wenkbrauwstrepen boven de gele ogen, en hij zit in open boerenland in plaats van in bos. De Tasmaanse boeboekuil (Ninox leucopsis), die sinds 2022 als eigen soort geldt en in deze gids een eigen pagina heeft, hoorde tot dat jaar bij déze soort; hij is donkerder en roodbruiner, dichter en helderder wit gestipt, en zijn roep gaat hoger en sneller, maar hij komt uitsluitend op Tasmanië en de eilanden van de Bassstraat voor, zodat de twee elkaar nergens tegenkomen. De Australische boeboekuil (Ninox boobook) is even groot maar rossiger en lichter gespikkeld; de twee werden tot 1999 als één soort gerekend en overlappen alleen op Norfolkeiland, waar een gemengde populatie vliegt. De oostelijke kerkuil (Tyto javanica), sinds 2008 in Northland gevestigd, is groter, goudbruin en spierwit van onder, met een hartvormige gezichtssluier en donkere ogen.

Leefgebied

Zowel inheems als aangeplant bos: podocarpen-loofbos, zuidelijk beukenbos en kauribos, maar net zo goed dennenplantages, manuka-struweel, stadsparken, tuinen en schaars beboomd boerenland. Overdag rust hij op een tak of in een boomvarenkroon onder zware bladbedekking, soms in een boomholte of in een vervallen schuur. De broedplaats is een holte, een spleet in een rotswand of een nest van dicht epifytisch groen; op roofdiervrije eilanden broedt hij zelfs op de grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Over heel Nieuw-Zeeland, op het Noordereiland en het Zuidereiland, maar duidelijk schaarser in het droge oosten van het Zuidereiland ten zuiden van Christchurch, waar bos ontbreekt. Verder op vrijwel alle beboste eilanden voor de kust, van de Three Kings in het noorden tot de muttonbird-eilanden (Engelse naam voor oogstbare jonge pijlstormvogels) bij Stewarteiland. Op Norfolkeiland leeft de nakomelingschap van de eilandvorm undulata, waarvan het laatste vrouwtje in 1987 met twee ingevoerde Australische mannetjes werd gepaard; de vorm van Lord Howe (albaria) is uitgestorven. Op het Australische vasteland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga een half uur na zonsondergang aan de rand van een bos staan en laat de duisternis invallen; de roep begint meestal binnen het eerste uur en komt jaar na jaar uit dezelfde hoek van het territorium. Loop overdag langzaam onder boomvarens door en kijk naar een donkere, rechtopstaande bult tegen een stam — een slapende ruru blijft zitten als je hem niet recht aankijkt. Het schelle gekrijs van toei's of waaierstaartjes op klaarlichte dag wijst de slaapplaats vaak aan.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in Nieuw-Zeeland geclassificeerd als niet bedreigd (Not Threatened): van de twee inheemse uilen is dit de enige die het gehaald heeft, want de lachuil (Ninox albifacies) stierf rond 1914 uit. Toch drukken de ingevoerde roofdieren wel degelijk: katten, possums (klimbuideldier), ratten en marterachtigen halen eieren en jongen uit de holtes, en op eilanden waar hij op de grond broedt doen varkens en egels hetzelfde. Daar komt een tweede, subtieler probleem bij: bij bestrijdingsacties met brodifacoum kan de uil via vergiftigde ratten en muizen secundair vergiftigd raken.

Wetenschappelijke naam

Ninox novaeseelandiae | (Gmelin, 1788)

Gmelin beschreef de soort in 1788 als Strix novaeseelandiae, naar de beschrijving van Latham; omdat ze later naar Ninox verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie is Queen Charlotte Sound op het Zuidereiland, waar de vogel tijdens de reizen van Cook werd verzameld. Het epitheton betekent simpelweg 'van Nieuw-Zeeland'. Het geslacht Ninox voerde Hodgson in 1837 in, uit Nisus (sperwer) en noctua (nachtuil). De Engelse naam morepork en de Maori-naam ruru zijn allebei gevormd naar de roep. Tot het vijfde deel van het Handbook of the Birds of the World in 1999 vielen de Australische en de Nieuw-Zeelandse vogels onder deze ene naam; sindsdien houdt Nieuw-Zeeland novaeseelandiae en heet de Australische vogel Ninox boobook.