Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Tasmaanse boeboekuil
Tasmaanse boeboekuil | Ninox leucopsis
Tasmanian Boobook | Nínox tasmano
De Tasmaanse boeboekuil is het derde deel van een knoop die de taxonomie meer dan een eeuw bezig heeft gehouden. Het vasteland van Australië, Nieuw-Zeeland en Tasmanië hadden lang samen één boeboekuil; in 1999 werd de Australische vogel afgesplitst en in 2022 volgde de Tasmaanse. Wat overblijft is een donkere, roodbruine, dichtbespikkelde uiltje met goudgele ogen dat 's nachts uit het natte eucalyptusbos twee lettergrepen naar beneden roept — sneller en hoger dan zijn vastelandse buurman, en met een rauw, bijna kikkerachtig randje.
Geluid
De roep is de klassieke tweelettergrepige boo-book, waarbij de tweede noot lager ligt dan de eerste en de hele frase met tussenpozen van enkele seconden wordt herhaald, soms een halve nacht lang. Ten opzichte van de Australische boeboekuil van het vasteland klinkt de Tasmaanse versie duidelijk hoger van toon, sneller in tempo en grover van timbre — opnamen worden vaak als 'kikkerachtig' omschreven, alsof de noot een beetje kraakt. Dat verschil is in het veld bruikbaarder dan welk verenkleedkenmerk ook. Daarnaast klinken bij het nest en bij onrust lagere, knorrende en ratelende geluiden.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een compacte, rondkoppige uil zonder oorpluimen, ongeveer zo groot als de boeboekuil van Nieuw-Zeeland maar naar verhouding kort van staart en zwaar van lijf. De bovenzijde is donker roodbruin, donkerder en warmer van tint dan bij de Australische vastelandsvogel, en bezaaid met heldere, scherp afgetekende witte stippen die vooral op de vleugeldekveren opvallen. De onderzijde is bruin gestreept en gevlekt op een grondkleur met een geelbruine zweem. De gezichtsschijven zijn donker en gaan zonder scherpe rand over in de kop; ertussen staat een korte, sterk gehaakte snavel. De ogen zijn goudgeel, warmer en geler dan het grijsgroen tot geelgroen van de vastelandsvogel. De poten zijn bevederd tot de rozegrijze tenen.
Verwarringssoorten
Binnen Tasmanië is er in de praktijk maar één echte tegenspeler: de veel grotere, langgestaarte, fijn gebandeerde gestreepte uil (Tyto novaehollandiae, de masked owl), die een scherp begrensde hartvormige sluier en donkere ogen heeft waar deze soort ronde, geelgeoogde donkere schijven zonder rand toont. De Australische boeboekuil (Ninox boobook) van het vasteland is de nauwste verwant met een reëel verwarringsrisico: die is bleker en koeler bruin, minder dicht en minder helder gestipt, en heeft grijsgroene tot geelgroene ogen; zijn roep is lager en trager. De twee overlappen normaal niet, want de Bassstraat scheidt ze, maar er zijn losse waarnemingen van Tasmaanse vogels in zuidelijk Victoria, één in Nieuw-Zuid-Wales en zelfs één balg van Lord Howe, dus in het zuiden van Victoria is een winterse boeboek een aantekening waard. De boeboekuil van Nieuw-Zeeland (Ninox novaeseelandiae), die in deze gids een eigen pagina heeft, is tot 2022 met deze soort als één soort geteld en lijkt er sterk op, maar komt uitsluitend in Nieuw-Zeeland en op Norfolk voor; die twee arealen raken elkaar nergens, zodat ook hier het eiland beslist.
Leefgebied
Bos, in vrijwel elke Tasmaanse vorm. Het zwaartepunt ligt in droog eucalyptusbos en -woodland, maar de soort zit even goed in nat eucalyptusbos met een dichte ondergroei en in de vochtige Nothofagus-bossen van het westen en noordwesten. Hij vraagt vooral twee dingen: oude bomen met holten om in te slapen en te broeden, en open ruimte of een bosrand om boven te jagen. Dat laatste maakt hem tot een gewone vogel in dorpsranden, boomrijke tuinen en parken, waar straatlantaarns een betrouwbare toevoer van nachtvlinders en kevers leveren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Standvogel op Tasmanië en de eilanden van de Bassstraat, waaronder King Island; de metingen voor deze gids geven tien van de tien jaren aanwezigheid met 3.112 waarnemingen en één gemeten eenheid standvogel, die samenvalt met Tasmanië zelf. Hij is over het hele eiland verspreid en van zeeniveau tot in de bergbossen te vinden, in wisselende dichtheid maar nergens echt zeldzaam. Buiten Tasmanië is hij dwaalgast: een handvol meldingen uit zuidelijk Victoria, één uit Nieuw-Zuid-Wales en één specimen van Lord Howe. Ook hier geldt dat dit een verse splitsing is die in de ruggengraattaxonomie van GBIF nog niet is doorgevoerd, zodat de cijfers apart op ondersoortniveau moesten worden gemeten.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem met je oren, niet met je ogen, en doe het in de eerste twee uur na zonsondergang langs een bosrand of op een parkeerplaatsje in het bos. Let niet alleen op de twee lettergrepen maar op het tempo: gaat de frase vlot en hoog en klinkt de noot een beetje rauw, dan zit je goed. Een zaklamp op de roeprichting levert vaak twee oranje weerkaatsende ogen op een tak net onder het kroondak op.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort als niet bedreigd (LC) en er zijn geen aanwijzingen voor een sterke afname; hij is over heel Tasmanië verspreid en verdraagt aangetast en door mensen gebruikt bos goed. De gevoeligheid zit in het detail: als holtebroeder is hij afhankelijk van oude bomen, en houtkap die grote holle eucalyptussen wegneemt, verschraalt een gebied ook als het bos zelf blijft staan. Daarnaast is hij, zoals alle nachtelijke muizenjagers, kwetsbaar voor secundaire vergiftiging door rodenticiden van de tweede generatie rond boerderijen en dorpen. Als recent afgesplitste soort met een areaal dat op één eiland ligt verdient hij bovendien apart te worden gevolgd in plaats van te worden meegeteld met de vastelandsvogel.
Wetenschappelijke naam
Ninox leucopsis | (Gould, 1838)
Leucopsis is Grieks voor 'witgezicht', van leukos 'wit' en opsis 'gezicht, aanblik' — een wat ongelukkige naam, want juist de bleke gezichtsschijf is bij deze donkere vorm minder opvallend dan bij veel verwanten, en de benaming gaat vermoedelijk terug op een individuele balg. De Nederlandse naam volgt de gids en zet het eiland voor de groepsnaam, zoals bij de boeboekuil van Nieuw-Zeeland. Het woord boeboek zelf is klanknabootsend en gaat via het Engelse boobook terug op een Aboriginaltaal uit Nieuw-Zuid-Wales; het Australische synoniem mopoke is precies dezelfde roep, anders gehoord.



