Alle soortenUilenEchte uilen › Blafuil

Blafuil | Ninox connivens

Barking Owl | Ninox ladrador

De blafuil is de middelgrote Ninox-uil van het open eucalyptusbos, en de enige uil ter wereld die klinkt als een hond. Zijn dubbele woef-woef draagt over hele paddocks (omheind weiperceel op een Australisch landbouwbedrijf), maar hij heeft een tweede repertoire dat hem in het binnenland de bijnaam 'screaming-woman bird' opleverde: een schrille, golvende gil die van een mens lijkt te komen.

Blafuil (Ninox connivens)
Foto: Julie Edgley — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De gewone roep is een helder, tweelettergrepig geblaf, woef-woef, met een korte pauze ertussen en in reeksen herhaald; het paar roept vaak samen en het vrouwtje ligt daarbij hoger. Het geluid is hard en kort en heeft niets van het slepende hoe van andere uilen. Daarnaast, en veel zeldzamer, klinkt een aanzwellende, trillende schreeuw die in toonhoogte op en neer golft en zo menselijk klinkt dat hij in de negentiende eeuw regelmatig voor moord werd aangezien — vandaar de naam 'screaming-woman bird'. Bij het nest klinkt een zacht, keelachtig gegrom.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een slanke, langgerekte uil van ongeveer veertig centimeter zonder gezichtssluier, met een opvallend grote, ronde kop en grote, doordringend gele ogen. De bovenzijde is effen grijsbruin met rijen witte vlekken op de schouder en de vleugeldekveren; de onderzijde is vuilwit met brede grijsbruine lengtestrepen — gestreept dus, niet gevlekt of dwarsgebandeerd. De kop is bijna geheel grijsbruin, zonder het donkere masker van de boeboekuilen, wat hem een open, verbaasde uitdrukking geeft. De vlucht is soepel en havikachtig, met lange glijpauzes. Jonge vogels zijn vager gestreept en hebben een wit-en-grijs gevlekte nek.

Verwarrings­soorten

De Australische boeboekuil (Ninox boobook) is beduidend kleiner (25–33 cm), warmer bruin, met een donker masker rond de ogen en een gevlekte in plaats van gestreepte onderzijde, en roept boe-boek. De grote boeboekuil (Ninox strenua) is veel zwaarder, donkerder grijsbruin en heeft grove V-vormige dwarstekens op de onderzijde in plaats van rechte strepen. De rosse boeboekuil (Ninox rufa) overlapt in het noorden maar is roodbruin en over de hele onderzijde fijn dwarsgestreept. De kerkuilen (Tyto) hebben donkere ogen en een hartvormige sluier. Wie op geluid afgaat vergist zich zelden: het korte hondengeblaf is uniek.

Leefgebied

Open eucalyptusbos en open bos, bosranden en boomrijen langs akkers en weiland, vrijwel altijd waar veel grote, holtedragende bomen staan. Rustplaatsen liggen opvallend vaak vlak bij water: een kreek, een dam of een moerasje, in een dichte kroon van riverine casuarina of papierschorsboom. Hij mijdt gesloten regenwoud en ook de kale binnenlandse vlakten; het is de vogel van het halfopen, gemengde landschap.

Verspreiding en trek

Wijd verspreid over Australië maar afwezig uit de centrale woestijnen, met een oostelijke en zuidwestelijke bevolking (connivens) en een noordelijke (peninsularis) in de Kimberley, het Noordelijk Territorium en het uiterste noorden van Queensland. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor. In het zuidoosten is hij plaatselijk sterk achteruitgegaan en in het zuidwesten van West-Australië nog maar een handvol paren sterk. Hij is standvogel; een paar houdt een groot territorium van vaak meer dan duizend hectare.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de vroege avond of het laatste uur voor zonsopgang langs een bosrand naast weiland en stop bij elke dode boom: de blafuil jaagt vanaf een onbedekte, hoge tak en laat zich daar goed aftekenen tegen de lucht. Luister in augustus en september, als het paar zijn territorium afbakent en het geblaf het vaakst klinkt. Zoek overdag in een dichte kroon vlak bij water; een paar zit vaak jarenlang op dezelfde slaaptak, met een hoop witte spatten eronder.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar dat verbergt een scherp verschil binnen Australië: in Nieuw-Zuid-Wales staat de soort als kwetsbaar en in Victoria als bedreigd te boek, en in het zuidwesten van West-Australië resteert nog maar een kleine rest. Twee oorzaken werken samen. Het kappen en uitdunnen van oud eucalyptusbos neemt de grote holtes weg waarin hij broedt, en het wegvallen van middelgrote grondzoogdieren — bandicoots, buidelratten, konijnen na bestrijding — snijdt in de prooibasis juist in het zuiden, waar de uil daar sterker van afhangt dan in het noorden.

Wetenschappelijke naam

Ninox connivens | (Latham, 1801)

Latham beschreef de soort in 1801 als Falco connivens — hij zag de afbeelding voor een valk aan — en omdat ze later naar Ninox verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton connivens is het Latijnse deelwoord van conniveo, 'de ogen sluiten, knipperen', naar de halfgesloten ogen op de tekening waarnaar Latham werkte. Het geslacht Ninox voerde Hodgson in 1837 in, uit Nisus (sperwer) en noctua (nachtuil). De typelocatie is Nieuw-Holland, in de praktijk Nieuw-Zuid-Wales. Genetisch onderzoek wijst de Australische boeboekuil aan als naaste verwant.