Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Australische boeboekuil
Australische boeboekuil | Ninox boobook
Australian Boobook | Nínox papú
De Australische boeboekuil is de kleinste en veruit de algemeenste uil van Australië, en de vogel achter het geluid dat het continent 's nachts vult: een helder tweelettergrepig boe-boek. Hij is nauwelijks groter dan een houtduif, donkerbruin met lichte spikkels, en zit even gemakkelijk in een voorstadstuin als in mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) of mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië).
Geluid
Het kenmerk waarop hij overal wordt vastgelegd is de roep: een helder, tweedelig boe-boek, waarbij de tweede lettergreep lager ligt dan de eerste, in reeksen herhaald en tot ongeveer een kilometer ver hoorbaar. Het mannetje roept veel vaker dan het vrouwtje; een paar antwoordt elkaar in duet, waarbij de hogere stem van het vrouwtje er dwars doorheen valt. Daarnaast klinkt een kattig, aanzwellend krieuw, bij het nest een zacht ratelend gemurmel, en bij bedelende jongen een schor gesis.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een kleine, compacte uil van rond de dertig centimeter, zonder oorpluimen en zonder echte gezichtssluier — de kop is rond en de bruine gezichtsschijf loopt zonder scherpe rand in de nek over. De bovenzijde is donker chocoladebruin met witte vlekken op schouder en vleugel, de onderzijde roodbruin, zwaar gestreept en gevlekt met wit. De grote ogen zijn geelgroen en liggen in een donkerder masker dat als een bril werkt. De staart is lang en gebandeerd; de vlucht is snel en direct met korte glijpauzes, meer als een sperwer dan als een kerkuil. Het gewicht ligt tussen ongeveer 145 en 360 gram. Woestijnvogels (ocellata) zijn bleek en zandkleurig, regenwoudvogels van Kaap York (lurida) klein en donker roodbruin.
Verwarringssoorten
De blafuil (Ninox connivens) is duidelijk groter (35–45 tegen 25–33 cm), grijzer, met een effen grijsbruine kop zonder masker, een gestreepte in plaats van gevlekte onderzijde en een blaffende in plaats van boekende roep. De grote boeboekuil (Ninox strenua) is met een halve meter een heel andere klasse en heeft grove V-tekens op de onderzijde. De rosse boeboekuil (Ninox rufa) is groot, roodbruin en fijn dwarsgestreept en blijft in het tropische noorden. De boeboekuil van Nieuw-Zeeland (Ninox novaeseelandiae) werd tot 1999 met deze soort samengenomen; hij is donkerder en minder rossig en komt op het Australische vasteland niet voor, zodat de geografie het probleem oplost — alleen op Norfolkeiland leeft een gemengde populatie. Kerkuilen (Tyto) zijn in één oogopslag anders: hartvormige lichte gezichtssluier, donkere ogen, lange poten.
Leefgebied
Vrijwel elk terrein met bomen: droog eucalyptusbos en open bos, rivierbos langs kreken, mallee, mulga en acaciastruweel, en verder tuinen, parken en straatbomen tot in het centrum van de grote steden. Wat hij nodig heeft is een boomholte om in te broeden en een open plek of lichtbron om boven te jagen; de rest is bijzaak. In de kern van de zandwoestijn ontbreekt hij, maar langs elke beboste kreek daarbinnen zit hij weer.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over het hele Australische vasteland, van de Kimberley en Kaap York tot de zuidwesthoek, inclusief Tasmanië en talrijke kusteilanden; alleen in de kernen van de zandwoestijnen is hij schaars. Buiten het kaartvenster loopt de soort door tot zuidelijk Nieuw-Guinea, Timor en de Kleine Soenda-eilanden. Op Norfolkeiland werden in 1987 twee Australische mannetjes uitgezet om het laatste vrouwtje van de eilandvorm nog te laten broeden; de uilen die daar nu vliegen zijn kruisingen. Hij is standvogel en houdt jaar in jaar uit hetzelfde territorium aan.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sta na zonsondergang stil op een pad of een oprit en wacht; het boe-boek komt vrijwel overal en draagt ver, en met een zwakke lamp vang je de oranjerode weerkaatsing van de ogen. Overdag verraadt een groepje driftig alarmerende honingeters of ekstergaaien vaak een slapende boeboekuil diep in een dichte kroon. Insecten rond straatverlichting trekken hem aan: kijk bij een lantaarn aan de dorpsrand naar een klein, gedrongen silhouet op de arm of op een draad.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): het verspreidingsgebied is enorm, de aantallen zijn stabiel en de soort is als een van de weinige Australische uilen juist met de mens meegegroeid, omdat tuinen, boomgaarden en straatverlichting voedsel opleveren. De zwakke plek is dezelfde als bij alle holenbroeders — grote oude bomen met een bruikbare holte verdwijnen sneller dan er nieuwe bij komen. Plaatselijk speelt vergiftiging: rond Perth is een achteruitgang vastgesteld die in verband wordt gebracht met rodenticiden van de tweede generatie, die via vergiftigde muizen bij de uil terechtkomen.
Wetenschappelijke naam
Ninox boobook | (Latham, 1801)
Latham beschreef de soort in 1801 als Strix Boobook, naar een schilderij van Thomas Watling uit Sydney; omdat ze later naar Ninox is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ninox voerde Hodgson in 1837 in en is samengesteld uit Nisus, de sperwer, en noctua, de nachtuil. Het epitheton boobook is geen Latijn maar een leenwoord: William Dawes noteerde rond 1790 in het Dharug van de Sydney-streek bōkbōk voor 'uil', gevormd naar de roep. De typelocatie is Nieuw-Holland, dat wil zeggen Nieuw-Zuid-Wales. Tot het vijfde deel van het Handbook of the Birds of the World in 1999 gold de vogel als ondersoort van de Nieuw-Zeelandse boeboekuil.





