Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Boskoekoek
Boskoekoek | Cuculus optatus
Oriental Cuckoo | Cuco de Horsfield
De boskoekoek is de enige koekoek in deze gids die hier nergens broedt: een Siberische vogel die de zuidelijke zomer doorbrengt in de bossen van tropisch Australië. Hij is slank en havikachtig, grijs van boven en wit met zware zwarte bandering van onderen, en vliegt snel en recht als een kleine valk. Zwijgzaam, verscholen in de kroonlaag — een soort die je moet zien, want horen zit er hier niet in.
Geluid
In Australië is hij vrijwel altijd stil; buiten het broedseizoen roept deze koekoek nauwelijks. Op de Siberische broedgronden geeft het mannetje een reeks lage, tweetallige tonen, poe-poe … poe-poe, met beide tonen even zwaar en van verre wat hoepoe-achtig; het vrouwtje antwoordt met een diepe, bubbelende triller. Reken er niet op dat je dat hier hoort.
Opname: Richard E. Webster — CC BY-NC-SA 4.0 · Mungunmorit, Mo'ngonmorit, Töv, Mongolia · xeno-canto
Herkenning
Een slanke, middelgrote koekoek van 28 tot 34 centimeter, ongeveer zo groot als een merel maar met een veel langere staart. De volwassen vogel heeft een grijze kop, keel en bovenzijde en een witte onderzijde met brede, scherpe zwarte banden; de oogring en de poten zijn geel en de onderstaart is gebandeerd. Vrouwtjes en jonge vogels komen in twee vormen voor: een grijze, als het mannetje, en een roodbruine met zware donkere bandering over het hele lijf. In de vlucht zie je spitse vleugels, een lange staart en een snelle, rechte lijn — het silhouet van een kleine roofvogel.
Verwarringssoorten
De vale koekoek (Heteroscenes pallidus) is de eerste die je moet uitsluiten: ongeveer even lang, maar bleker en effen grijs, met een donkere oogstreep en witte vlekken op de bovenstaartdekveren, en zonder de zware bandering op de onderzijde. De waaierstaartkoekoek (Cacomantis flabelliformis) is veel kleiner en okerbruin van onderen in plaats van gebandeerd. De vier bronskoekoeken van het geslacht Chalcites zijn nog veel kleiner en metaalgroen. De grootste valkuil is geen koekoek maar een kleine havik uit het geslacht Accipiter: die heeft een korte, afgeronde vleugel, een flap-en-glij-vlucht en gele ogen, terwijl de boskoekoek spitse vleugels heeft en met een vlakke, rechte slag doorvliegt.
Leefgebied
De kroonlaag van moessonbos, lianenstruweel, regenwoud, galerijbos langs kreken en open eucalyptusbos. Hij blijft vooral binnen het bladerdek en wordt daardoor weinig gezien. Vanaf een uitkijkpost in de kroon duikt hij op zijn prooi af — vooral rupsen, kevers, wandelende takken en cicaden. Broeden doet hij hier niet: in Siberië parasiteert hij op boszangers van het geslacht Phylloscopus, de Siberische boompieper en de Aziatische stompstaart, vogels die in Australië geen van alle voorkomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Kust en achterland van noordelijk Australië, van de Pilbara over de Kimberley en het Top End tot Kaap York, landinwaarts tot het Groot Australisch Scheidingsgebergte en door tot in Nieuw-Zuid-Wales; ook op Groote Eylandt en Lord Howe. Hij is niet-broedende zomergast: aankomst in november en december, vertrek in april en mei, waarna hij terugkeert naar de Noord-Euraziatische taiga. In Nieuw-Zeeland is hij een zeldzame dwaalgast: ongeveer zesendertig gevallen sinds de jaren zeventig, waarvan zestien sinds 2000, altijd tussen oktober en april; het laatste goed gedocumenteerde geval was bij Lake Mapourika in Westland, in november 2021.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Hier geldt het omgekeerde van alle andere koekoeken: zoeken, niet luisteren. Loop tussen december en maart de rand van een moessonbos of lianenstruweel in het Top End of op Kaap York af en speur de kroonlaag af naar een havikachtige vogel die lang stil zit en dan uitvalt op een rups. De combinatie van zwaar gebandeerde witte onderzijde, gele oogring en dat trage, geduldige zitten is de sleutel; de roodbruine vorm verraadt zich aan dezelfde bandering.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). De soort heeft een enorm wereldareaal door heel Noord-Eurazië en een grote wereldstand, en in Australië is ze alleen te gast, zodat haar lot vooral in de Siberische taiga en op de trekweg wordt beslist. Voor het Australische deel van het jaar telt vooral het behoud van moessonbos en lianenstruweel — kleine, versnipperde bostypen die gevoelig zijn voor vee, onkruid en te hete branden.
Wetenschappelijke naam
Cuculus optatus | Gould, 1845
Gould beschreef de soort in 1845 als Cuculus optatus, en in dat geslacht staat ze nog, zodat auteur en jaartal zonder haakjes blijven. Daar zit een aardige omkering in: de vogel broedt in Siberië, maar kreeg zijn naam naar een overwinterend exemplaar uit Australië — het lectotype komt van Port Essington op het Cobourg-schiereiland in het Noordelijk Territorium. optatus is Latijn voor 'gewenst, verlangd', van optare, 'kiezen, wensen'. Cuculus is het klassieke Latijnse woord voor koekoek, gevormd naar de roep. Lang werd de vogel als ondersoort van Cuculus saturatus beschouwd; sinds Christidis en Boles (2008) geldt hij als volle soort. De Spaanse naam herinnert aan Horsfield, uit het synoniem Cuculus horsfieldi.



