Alle soortenKoekoeksvogelsKoekoeken › Indische koël

Indische koël | Eudynamys orientalis

Pacific Koel | Koel occidental

De Indische koël is de stem van de Australische voorzomer: een grote, slanke koekoek die in oktober uit Nieuw-Guinea arriveert en vanaf dat moment dag en nacht zijn stijgende koe-wiel door de buitenwijken laat schallen. Het mannetje is glanzend gitzwart met een bloedrood oog, het vrouwtje bruin en wit gespikkeld, en allebei leggen ze hun ei bij een honingeter in de nok van de tuin.

Indische koël (Eudynamys orientalis)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het geluid is bekender dan de vogel. Het mannetje herhaalt eindeloos een luide, stijgende fluittoon, koe-wiel, vaak vanaf het holst van de nacht tot de ochtend door, en steeds een halve toon hoger als hij opgewonden raakt. Het vrouwtje antwoordt met een snelle, doordringende reeks kiek-kiek-kiek-kiek op één toonhoogte. In de buurt van een nest van de waardvogel gaan beide geluiden over in een luid, hels gekrijs.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote koekoek van 39 tot 46 cm met een lange staart, een korte dikke bleekgrijze snavel en een rechte, bijna sperwerachtige vlucht met snelle slagen. Het mannetje is geheel glanzend zwart met blauwe en groene weerschijn en een fel rood oog — een zwarte vogel die duidelijk geen kraai is, want hij is slanker, langstaartiger en heeft geen zware snavel. Het vrouwtje is van boven glanzend bruin met witte spikkels, heeft een zwarte kruin, een roomkleurige onderzijde met fijne zwarte dwarsstrepen en een gebandeerde staart. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn warmer bruin en hebben een donker oog.

Verwarrings­soorten

Het vrouwtje is de lastigste: bruin, gespikkeld en gebandeerd, en daarmee sterk gelijkend op de langstaartkoël (Urodynamis taitensis), de naaste verwant in dit gebied — die is echter vrijwel uitsluitend Nieuw-Zeelands en in Australië nauwelijks ooit vastgesteld, zodat het areaal de knoop doorhakt; van dichtbij heeft taitensis lengtestreping op de onderzijde in plaats van fijne dwarsbandering, en een langere, meer wigvormige staart. De reuzenkoekoek (Scythrops novaehollandiae) arriveert in hetzelfde seizoen en parasiteert deels dezelfde waardvogels, maar is met bijna zestig centimeter veel groter en heeft een enorme bleke, omlaag gebogen snavel. Het zwarte mannetje wordt geregeld voor een Australische raaf (Corvus coronoides) aangezien: die is forser, heeft een wit oog en een veel zwaardere snavel.

Leefgebied

Hoog geboomte met vruchtdragende bomen: tropisch regenwoud, moessonbos en vine thicket, nat eucalyptusbos en rivierbos langs kreken, maar net zo goed de buitenwijken van Brisbane en Sydney, waar vijgen, palmen en camphor laurels een rijk gedekte tafel vormen. Hij foerageert vrijwel uitsluitend in de kroonlaag en komt zelden op de grond.

Verspreiding en trek

Broedvogel van noordelijk en oostelijk Australië, van de Kimberley over het Top End en Kaap York tot langs de oostkust zuidwaarts, in normale jaren tot ongeveer Nowra in Nieuw-Zuid-Wales; de zuidgrens is de laatste decennia opgeschoven en de soort bereikt inmiddels geregeld het gebied rond Melbourne. Buiten het broedseizoen verlaten vrijwel alle vogels het kaartvenster naar Nieuw-Guinea en de Indonesische eilanden. Aankomst eind september tot begin oktober, vertrek rond maart.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in oktober en november in de kruin van een vruchtdragende vijg of camphor laurel in een oudere buitenwijk, en volg de herrie: een luid krijsende roodlelhoningeter of grijskraagvijgvogel die iets achtervolgt wijst vrijwel altijd een koël aan. Het roepende mannetje zit meestal hoog en stil in het dichtste blad, een paar meter naast de plek waar het geluid vandaan lijkt te komen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het areaal beslaat half Zuidoost-Azië en Australazië, en in Australië heeft de soort juist geprofiteerd van de aanplant van vruchtdragende bomen in tuinen en straten, die zowel voedsel als waardvogels in overvloed levert. De zuidwaartse areaaluitbreiding langs de oostkust is daar het zichtbare gevolg van. Enige tegenwind komt van bestrijding van de camphor laurel als invasieve plant en van klachten over het nachtelijke roepen, maar geen van beide bedreigt de populatie.

Wetenschappelijke naam

Eudynamys orientalis | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Cuculus orientalis, naar een eerdere Franse beschrijving; door de latere overgang naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vigors en Horsfield voerden Eudynamys in 1827 in, uit het Griekse eu, 'goed, echt', en dunamis, 'kracht'. orientalis betekent 'oosters'. De typelocatie is Ambon in de Molukken; de Australische vogels behoren tot de ondersoorten cyanocephalus in het oosten en zuidoosten en subcyanocephalus in het noorden. De naam koël is een klanknabootsing uit het Hindi en gaat terug op de roep zelf.