Alle soortenZangvogelsHoningeters › Brilhoningeter

Brilhoningeter | Ptilotula fusca

Fuscous Honeyeater | Mielero fusco

Ptilotula fusca is de saaiste van een saai geslacht: een middelgrote, egaal olijfbruine honingeter zonder streping, zonder opvallende vlek, met niet veel meer dan een donkere ring rond het oog en een piepklein geel oorpluimpje met een zwart randje. Juist die donkere oogring levert de Nederlandse naam Brilhoningeter op. Hij is talrijk in het droge eucalyptusbos achter de Great Dividing Range, leeft half in kolonies en maakt daar voortdurend lawaai — wie hem eenmaal op geluid kent, hoort hem overal.

Brilhoningeter (Ptilotula fusca)
Foto: patrickkavanagh — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het repertoire is groter dan het verenkleed doet vermoeden. Kenmerkend is een rollend, ratelend deuntje dat vaak wordt weergegeven als arig arig a taw taw, en daarnaast een heldere, fluitende frase tjier-tor-tjier die over open bos ver draagt. Een onophoudelijk tjip dient als contactroep binnen de groep en is het geluid dat u het vaakst hoort. In de vlucht laat het mannetje een diepe, metaalachtige vluchtzang horen. Omdat de soort half koloniaal leeft, klinkt het geheel meestal als een rommelig koor uit één boomgroep.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote honingeter van dertien tot zeventien centimeter, effen dofgrijsbruin tot olijfbruin op de bovendelen en vuilgrijs met een beige waas op de onderdelen — zonder streping, zonder contrast. Het gezicht is vrijwel blanco: een donkere, enigszins uitgelopen ring rond het oog, en achter het oor een klein, onopvallend geel pluimpje dat boven en onder zwart is afgezet. De snavel is zwart en licht gebogen. Jonge vogels en vogels buiten de broedtijd tonen geel aan de snavelbasis en in de oogring, wat het gezicht iets vriendelijker maakt. Man en vrouw zijn gelijk. De sleutel tot deze soort is dus negatief: het ontbreken van kenmerken, in combinatie met de donkere oogring.

Verwarrings­soorten

Dit is het lastigste onderdeel van de hele Ptilotula-groep. De gouden honingeter (Ptilotula flavescens) is de naaste verwant en lijkt sterk, maar is duidelijk geler over het hele verenkleed, heeft grijsgele in plaats van zwarte teugels en leeft in tropisch noordelijk Australië, waar Ptilotula fusca nauwelijks komt; in de golfstreek van Queensland komen ze elkaar het dichtst nabij. De groenkaphoningeter (Ptilotula plumula) en de malleehoningeter (Ptilotula ornata) hebben allebei een veel bredere, duidelijk zichtbare gele oorpluim en gestreepte onderdelen — beide kenmerken ontbreken bij Ptilotula fusca, die daarmee de vlakste van het geslacht is. De witpluimhoningeter (Ptilotula penicillata) heeft een witte in plaats van gele pluim en is geler op het gezicht. Let ten slotte op het naamprobleem: ook Nesoptilotis flavicollis van Tasmanië heet in het Nederlands Brilhoningeter. Die soort is groter, heeft een gele keel en een groot wit oorvlak, en komt uitsluitend op Tasmanië voor, zodat de twee elkaar in het veld nooit tegenkomen.

Leefgebied

Open, droog eucalyptusbos en woodland, vooral aan de binnenlandse kant van de Great Dividing Range, met plaatselijk ook kustbos met een heideachtige onderlaag; daarnaast restbosjes op landbouwgrond, wegbermen en tuinen. Hij is hoofdzakelijk insecteneter en foerageert actief in het buitenste en hoogste blad, langs takken en tegen de stam van eucalypten, en pakt nectar er opportunistisch bij — van eucalyptus en maretak, en verder lerp en honingdauw, de suikerrijke uitscheidingen van bladvlooien. Buiten de broedtijd vormt hij groepen tot een twintigtal vogels en sluit zich aan bij gemengde troepen. De broedtijd valt van augustus tot december; paren zijn monogaam en broeden half koloniaal, met één tot drie eieren en een broedduur van ongeveer veertien dagen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in oostelijk Australië. Het areaal loopt van Cooktown en het Atherton Tableland in noordelijk Queensland zuidwaarts door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in het oosten van Zuid-Australië, met het zwaartepunt landinwaarts van de bergketen. In het zuidoosten verplaatst een deel van de vogels zich met de seizoenen in hoogte: in de winter worden de lager gelegen streken merkbaar voller. Verder is de soort standvogel, met nomadische uitstapjes bij droogte en bij massale eucalyptusbloei. Ze ontbreekt in West-Australië, op Tasmanië en in Nieuw-Zeeland.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Werk uitsluitend met uitsluiting. Ziet u in droog oostelijk eucalyptusbos een middelgrote, volstrekt effen olijfbruine honingeter zonder streping en zonder duidelijke pluim, dan is dit vrijwel altijd de soort. Zoom daarna in op het oog: de donkere ring eromheen, tegen een verder blanco gezicht, is het positieve kenmerk. Het geluid is sneller: het rollende arig arig en het aanhoudende tjip van een half-koloniale groep verraden hem al voordat u een vogel in beeld hebt. Zit u ten westen van de bergketen in mallee, dan gaat het eerder om de malleehoningeter, die wel een grote gele pluim draagt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en in het grootste deel van het areaal gewoon tot talrijk; in Australië geldt ze federaal en in alle staten als veilig. De soort houdt stand in smalle stroken restbos en in tuinen, wat haar veerkracht geeft in landschappen die grotendeels zijn gerooid. Waar het bos volledig verdwijnt houdt ze het echter niet vol, en net als bij andere half-koloniale honingeters kan verdringing door de witstuithoningeter (Manorina flavigula) in sterk versnipperd bos een rol spelen; harde cijfers daarover zijn voor deze soort niet gevonden.

Wetenschappelijke naam

Ptilotula fusca | (Gould, 1837)

John Gould beschreef de soort in 1837 als Ptilotis fusca; auteur en jaartal staan tussen haakjes, want ze is sindsdien verhuisd. Lange tijd stond ze in Lichenostomus, tot moleculair onderzoek in 2011 aantoonde dat dat geslacht polyfyletisch was: sindsdien hoort ze in Ptilotula, een naam die Gregory Mathews al in 1912 had voorgesteld en die is gevormd uit het Griekse ptilon, 'veer', en ous, 'oor' — de oorpluim dus, met een verkleinend achtervoegsel. Het epitheton fusca is Latijn voor 'donker' of 'dofbruin' en vat het verenkleed treffend samen; de Engelse naam Fuscous Honeyeater en de Spaanse mielero fusco volgen dat letterlijk. De Nederlandse naam Brilhoningeter kiest juist de donkere oogring. Let op: die naam wordt in het Nederlands ook gebruikt voor Nesoptilotis flavicollis van Tasmanië, een heel andere soort.