Alle soortenZangvogelsHoningeters › Grijskophoningeter

Grijskophoningeter | Ptilotula keartlandi

Grey-headed Honeyeater | Mielero cabecigrís

De grijskophoningeter is de honingeter van de rotsige kloven en steenruggen van droog Australië. Waar de andere leden van het geslacht in bos of struweel op zand zitten, houdt deze soort het bij rotswanden, spinifexhellingen en de bloeiende hakea's en grevillea's die in de kloofbodems staan. Hij is daardoor de best geplaatste van de groep: wie in de Pilbara of in de Centrale bergen een kleine honingeter met een grijze kruin en een fel geel oorstreepje ziet, hoeft meestal niet lang te twijfelen.

Grijskophoningeter (Ptilotula keartlandi)
Foto: Jss367 — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De contactroep is een aanhoudend, wat klagerig tjip, dat hij vrijwel onophoudelijk laat horen terwijl hij door het blad werkt. De zang is een reeks rollende, kwetterende fluittonen die vaak als wie-wie-wie wordt weergegeven, afgewisseld met een enkele luide, rauwe schreeuw en korte, hoge jankende noten. In een rotskloof met harde wanden weerkaatst dat geluid en lijkt de vogel dichterbij dan hij is. Bij een waterpoel in de vroege ochtend kunnen tientallen vogels tegelijk roepen, wat in het verder stille binnenland ver draagt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine honingeter van dertien tot zestien en een halve centimeter met een korte, licht omlaag gebogen snavel die zwart is met een gele basis aan de ondersnavel. Het kenmerk is de kop: een duidelijk grijze kruin, en daaronder een donkergrijs tot zwart masker dat het oog omsluit, scherp begrensd door een felgele pluim die van achter het oor omlaag en naar achteren wijst. Tussen teugel en keel loopt een bleekgele baardstreep. De bovendelen zijn olijfbruin, de onderdelen olijfgeel met bruine streping. Jonge vogels zijn bleker, met een lichter grijsbruin masker en een lichtere kruin. Man en vrouw zien er gelijk uit.

Verwarrings­soorten

De groenkaphoningeter (Ptilotula plumula) is de zustersoort en het echte probleem: die overlapt over honderden kilometers en is even groot en even olijfbruin. Het verschil zit in de kop — plumula heeft een olijfgele kruin met slechts een klein grijs voorhoofdvlekje, terwijl de grijskophoningeter de hele kruin grijs heeft en een veel donkerder, scherper afgetekend masker draagt — en in de ondergrond: de grijskophoningeter zit op rots en in kloven, plumula op zandvlakten in mulga en mallee. De witpluimhoningeter (Ptilotula penicillata) deelt de kreken van het binnenland maar heeft een witte in plaats van gele pluim en een geel gezicht zonder donker masker. De gouden honingeter (Ptilotula flavescens) zit noordelijker, is geler en mist de grijze kruin. Ptilotula fusca ten slotte is effen bruin zonder pluim en zonder masker, en komt in dit deel van Australië niet voor.

Leefgebied

Ruige kloven, gorges en rotsig terrein van het droge binnenland, met eucalyptusstruweel en woodland op de hellingen, mulga en mallee op de vlakken ertussen, en kreekbos langs de wadi's in de kloofbodems — vaak met spinifex als ondergroei. Hij eet nectar van bloeiende hakea's, grevillea's, eucalypten en mallee, aangevuld met insecten die hij van blad en takken plukt en soms in de lucht vangt, en met kleine vruchten. Het nest staat laag in een boom of struik, het legsel telt gewoonlijk twee eieren, en broeden volgt op regen: na een goede bui kan een hele kloof binnen enkele weken vol nesten zitten, terwijl in droge jaren nauwelijks wordt gebroed.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het droge en halfdroge binnenland van noordelijk en centraal Australië, met de nadruk op de gebergten. Het areaal beslaat ongeveer vier en een derde miljoen vierkante kilometer en loopt van de Pilbara in West-Australië door het westelijke binnenland en Centraal-Australië — de MacDonnell Ranges rond Alice Springs zijn het klassieke gebied — tot in het noordwesten van Queensland. Naar het zuiden reikt hij niet tot de zuidkust en naar het noorden niet tot de natte tropische kuststrook. De soort komt niet voor in het oosten van het continent, niet op Tasmanië en niet in Nieuw-Zeeland.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Laat het landschap het werk doen. Staat u in een rotskloof of op een steenrug — de MacDonnell Ranges, de Pilbara, de gorges van de Hamersley — dan is een kleine honingeter met grijze kruin en gele oorpluim vrijwel zeker deze soort; staat u op een zandvlakte in mulga, dan is de groenkaphoningeter waarschijnlijker. Bevestig dat met de kruin: helemaal grijs is keartlandi, olijfgeel met alleen een grijs voorhoofdje is plumula. Waterpoelen in de kloofbodem zijn de beste plek, want de soort moet dagelijks drinken en komt daar in de vroege ochtend en late middag betrouwbaar langs.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een zeer groot areaal in een deel van Australië waar de menselijke druk laag is; de rotsige kloven waar de soort van leeft zijn niet te ontginnen en grotendeels vrij van landbouw. De literatuur wijst wel op gevoeligheid voor klimaatverandering: de soort is afhankelijk van bloei en van dagelijks beschikbaar drinkwater, en beide hangen in het binnenland direct aan de regen. Langer aanhoudende droogtes en heter brandende spinifexbranden kunnen de bloeiende struiken in de kloofbodems voor jaren wegnemen. Op korte termijn vangt de soort dat op door te zwerven; wat langdurige verschuivingen betekenen is niet bekend.

Wetenschappelijke naam

Ptilotula keartlandi | (North, 1895)

Alfred John North beschreef de soort in 1895 als Ptilotis keartlandi; auteur en jaartal staan tussen haakjes, want de soort verhuisde daarna via Meliphaga en Lichenostomus naar Ptilotula, nadat moleculair onderzoek in 2011 Lichenostomus als polyfyletisch had ontmaskerd. De geslachtsnaam Ptilotula, in 1912 gemunt door Gregory Mathews, komt van het Griekse ptilon, 'veer', en ous, 'oor' — de oorpluim, met een verkleinend achtervoegsel. Het epitheton eert George Arthur Keartland, de Australische verzamelaar die het typeexemplaar bemachtigde tijdens de binnenlandse expedities van de jaren negentig van de negentiende eeuw. De Nederlandse naam grijskophoningeter, de Engelse Grey-headed Honeyeater en de Spaanse mielero cabecigrís kiezen alle drie de grijze kruin en wijken dus af van het eerbetoon in het wetenschappelijke epitheton.