Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Cape-yorkhoningeter
Cape-yorkhoningeter | Trichodere cockerelli
White-streaked Honeyeater | Mielero de cockerell
De cape-yorkhoningeter komt nergens anders voor dan op het schiereiland Kaap York, ten noorden van ongeveer Cooktown. Het is een grijze honingeter met een goudgele baardstreep en oorpluim, een blauwe mondhoek en een borst vol smalle, bijna borstelige witte veerstrepen — een combinatie die geen enkele andere Australische honingeter heeft.
Geluid
Zijn geluid bestaat vooral uit korte, heldere contactnoten die hij herhaalt terwijl hij van bloem naar bloem beweegt; van een uitgewerkte zang is weinig bekend. In een bloeiend heideveld op Kaap York is hij daardoor eerder op beweging dan op stem te vinden, al verraadt een groepje dat zich door de bloeiende grevillea's werkt zich met een aanhoudend gepiep.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een middelgrote honingeter van zestien tot achttien centimeter, met een donkergrijze kop waarop een goudgele baardstreep onder het oog en een goudgele oorpluim afsteken, en met een blauwe naakte mondhoek. Kin, keel en borst dragen smalle, spitse, bijna borstelachtige witte veren die als fijne streepjes over de lichtgrijze onderzijde lopen en in het midden een gele zweem krijgen — daar komt de Engelse naam White-streaked Honeyeater vandaan. Vleugel en staart hebben gele veerranden. Mannetjes zijn merkbaar groter dan vrouwtjes, wat bij Australische honingeters ongebruikelijk is. Jonge vogels missen de blauwe mondhoek maar hebben de borstelige borstveren al.
Verwarringssoorten
Het geslacht Trichodere telt maar één soort en de combinatie van goudgele baardstreep, gele oorpluim en witgestreepte borst is uniek. Genetisch onderzoek uit 2017 plaatst de soort echter binnen de Phylidonyris-tak, en dat is ook in het veld merkbaar: Phylidonyris-soorten en Gliciphila melanops hebben dezelfde rusteloze bouw en dezelfde gestreepte onderzijde, maar missen de gele baardstreep en komen niet op Kaap York voor. De Meliphaga-soorten in hetzelfde gebied zijn bruin met een lichte oorvlek en ongestreept, en Xanthotis flaviventer, die op Kaap York wel overlapt, is groter, ongestreept en heeft een grijsblauw naakt vlak rond het oog.
Leefgebied
Heide, open woodland en oeverbos; regenwoud wordt juist gemeden. Hij volgt de bloei van papierschorsbomen, bottelborstels en grevillea's en verplaatst zich daarom door het jaar heen tussen heidevelden en riviergordels. De soort is nomadisch: een plek waar hij vorig seizoen bij tientallen zat, kan nu leeg zijn.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen het schiereiland Kaap York in het uiterste noorden van Queensland, ten noorden van ongeveer Cooktown, met een uitloper zuidoostwaarts tot bij Cape Melville en Muundhi en incidenteel tot in de omgeving van Port Douglas. Binnen dat beperkte areaal is hij plaatselijk talrijk maar onvoorspelbaar.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De klassieke plekken zijn de heide bij Tozer's Gap en de rivierovergangen zoals die van de Wenlock, in de droge tijd. Maar de vogels volgen de bloei en niet de reisgids: kijk daarom onderweg welke struiken in bloei staan en stop daar. Krijgt u er een in beeld, let dan op de mondhoek — het blauw is bij volwassen vogels op korte afstand verrassend duidelijk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is klein en volledig binnen Australië gelegen, maar Kaap York is dunbevolkt en het heide- en woodlandhabitat is grotendeels intact. Veranderende brandregimes en de uitbreiding van de veeteelt op het schiereiland zijn de voornaamste aandachtspunten voor de langere termijn.
Wetenschappelijke naam
Trichodere cockerelli | (Gould, 1869)
Gould beschreef de soort in 1869 als Ptilotis cockerelli en vernoemde haar naar de heer Cockerell, die het typeëxemplaar schoot. Alfred North stelde in 1912 het geslacht Trichodere in, uit Oudgrieks thrix, trichos 'haar' en derē 'keel' — naar de haarachtige keelveren die geen andere honingeter zo heeft. De Nederlandse naam verwijst naar het verspreidingsgebied, de Engelse naam White-streaked Honeyeater naar de witte borststreping.



