Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Scharrelaars › Dollarvogel
Dollarvogel | Eurystomus orientalis
Oriental Dollarbird | Carraca oriental
De dollarvogel is de enige scharrelaar van Australië en Nieuw-Zeeland: een gedrongen, donker gekleurde vogel met een korte rode snavel, die tegen het licht van de avondhemel op een kale tak zit en van daaruit insecten uit de lucht slaat. Zijn naam dankt hij aan de lichtblauwe, muntvormige vlek op elke vleugel, die alleen in de vlucht te zien is. Hij komt in september uit het noorden aan en is in april weer weg.
Geluid
De roep is een hard, schor kak-kak-kak, enkele malen achtereen herhaald en meestal in de vlucht gegeven. Bij het achtervolgen van een indringer boven de nestboom wordt het een aanhoudend ratelend gekrijs, waarbij het paar samen roept. Het geluid hoort bij de schemering: het klinkt het meest in het laatste half uur licht en opnieuw kort voor zonsopgang. Zittend is de vogel stil.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen vogel met een grote kop, een korte staart en een korte, brede, oranjerode snavel met een zwarte punt. Het kleed is donkerbruin met een blauwgroene waas over rug en vleugeldekveren, de borst bruin, de buik lichter, en keel en onderstaartdekveren glanzend helderblauw. Hand- en armpennen en de staart zijn donkerblauw; midden op de hand ligt aan weerszijden een lichtblauwe ronde vlek die openvalt zodra de vogel vliegt. Het vrouwtje is iets valer dan het mannetje. Jonge vogels missen de blauwe glans op de keel en hebben een bruinachtige snavel en bruine poten in plaats van rode. In de vlucht is hij breed en kortstaartig, met snelle slagen afgewisseld door zwenkende, vleermuisachtige uitvallen.
Verwarringssoorten
Op een kale tak in de schemering lijkt de silhouetvorm op die van een kookaburra (Dacelo novaeguineae), maar die is veel groter, heeft een lange dolkvormige snavel en een lichte kop. De heilige ijsvogel (Todiramphus sanctus) is kleiner, turkoois van boven en licht van onder, met een witte halsband. Jagend in de schemering kan hij aan een nachtzwaluw doen denken; de Australische dwergnachtzwaluw (Aegotheles cristatus) is echter grijs gevlekt, veel kleiner en heeft een zachte, dwarrelende vlucht. Zodra de blauwe muntvlekken oplichten, is er geen andere kandidaat.
Leefgebied
Open bos en woodland met hoge, oude bomen die holten dragen, en de randen van regenwoud en moessonbos. Verder rivierbos langs kreken, aanplant langs wegen, parken, grote tuinen en de bomen langs sportvelden en straten in kuststeden. Wat hij nodig heeft is een kale, hoge tak met vrij uitzicht om vanaf te jagen en een onbeklede holte om in te broeden; dichte, gesloten kroonlagen mijdt hij.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Broedvogel van noordelijk en oostelijk Australië, aankomend in september en vertrekkend in maart of april naar Nieuw-Guinea en de eilanden daaromheen. In het uiterste noorden blijven sommige vogels langer, maar het zuidoostelijke deel van het areaal loopt in de winter volledig leeg. Buiten het gebied van deze gids broedt de soort van India en Japan tot de Salomonseilanden; de Australische vogels vormen de zuidelijke rand daarvan. Op Nieuw-Zeeland is hij niet meer dan een hoge uitzondering.
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in de laatste helft van december op een kale, dode top boven het bos of langs een weg, en blijf staan: hij keert steeds naar dezelfde tak terug. Wacht op de vlucht en let op de muntvlekken; zittend is de vogel donker en onopvallend. Twee vogels die elkaar krijsend rond één dode boom achtervolgen, wijzen op een bezette nestholte.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over zijn hele areaal algemeen, ook in dorpen en steden. De beperking is het aanbod van grote, oude bomen met holten, waar hij mee moet concurreren met kaketoes, papegaaien en kookaburra's; in aangeplant bos van gelijke leeftijd ontbreken die holten. Als vogel die laag over wegen achter insecten aan jaagt, verongelukt hij bovendien geregeld onder het verkeer.
Wetenschappelijke naam
Eurystomus orientalis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Coracias orientalis; omdat ze later naar een ander geslacht is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eurystomus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot en is gevormd uit het Griekse eurus, breed, en stoma, mond, naar de brede bek waarmee deze vogels insecten vangen. Het epitheton orientalis betekent oostelijk. De typelocatie luidt in de oorspronkelijke beschrijving 'India orientali' en is later tot Java bepaald. De Nederlandse en Engelse naam komen allebei van de muntvormige vlek in de vleugel, die op een zilveren dollar werd gevonden te lijken.





