Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Dougalls stern

Dougalls stern | Sterna dougallii

Roseate Tern | Charrán común

Dougalls stern is de bleekste en sierlijkste van de middelgrote sterns: een vrijwel witte vogel met een gitzwarte pet, een lange dunne donkere snavel en twee staartlinten die als draden achter hem aan slepen. Vroeg in het broedseizoen ligt er een zachte rozeglans over de onderdelen — de kleur waaraan hij in het Engels en Spaans zijn naam dankt, en die meestal binnen enkele weken wegtrekt. In Australië is hij een vogel van de tropische riffen en koraalcayes.

Dougalls stern (Sterna dougallii)
Foto: MPF — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De kenmerkende roep is een scherp, hoog kiek, korter en dunner dan wat een visdiefje laat horen, en daarnaast een zacht, tweelettergrepig tsjoe-wit dat boven een gemengde kolonie meteen opvalt. Bij verstoring gaat dat over in een lage, harde ratel van staccato-noten, een rauw aach dat bijna knarst. In een zwerm sterns boven een rif is de stem vaak het eerste wat verraadt dat er een Dougalls stern tussen zit.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een middelgrote, slanke stern van een dikke dertig centimeter waarvan een flink deel staart is, en met ruim honderd gram opvallend licht. In broedkleed is hij zeer bleek: een lichtgrijze mantel die tegen wit aan ligt, een gitzwarte pet en witte onderdelen die vroeg in het seizoen een zachte rozeglans dragen. De snavel is lang, dun en zwart, op het hoogtepunt van het seizoen met een rode basis; de poten zijn helder oranjerood. De staartlinten zijn wit en zo lang dat ze bij een zittende vogel ver voorbij de vleugelpunten uitsteken. In vlucht is de bovenvleugel vrijwel egaal bleek, met donker beperkt tot de buitenste twee of drie handpennen, en de slag is stijver, sneller en ondieper dan bij een visdiefje. Jonge vogels zijn grof donker geschubd op de mantel, met zwarte snavel en donkere poten.

Verwarrings­soorten

Het visdiefje (Sterna hirundo) is grijzer op mantel en onderdelen, heeft een oranjerode snavel met zwarte punt en staartlinten die niet verder komen dan de vleugelpunt. De noordse stern (Sterna paradisaea) heeft een bloedrode snavel zonder zwarte punt, korte poten en grijze onderdelen die tegen een witte wangstreep afsteken. De tara-stern (Sterna striata) is de lastigste in het zuiden: ook bleek, ook zwartsnavelig en ook lang van staart, maar hij houdt het hele jaar een wit voorhoofd tussen snavel en zwarte kap en toont in vlucht een duidelijke donkere wig in de buitenste handpennen. De zwartnekstern (Sterna sumatrana) deelt met hem de tropische riffen en het bleke, bijna witte kleed, maar heeft nooit een volle zwarte kap: alleen een zwarte band die van het oog naar de nek loopt over een witte kruin. Het zekerste onderscheid blijft de combinatie van een lange donkere snavel, ijsbleke bovendelen, oranjerode poten en twee witte linten die als draden achter de vogel aan slepen.

Leefgebied

Warme, heldere kustzeeën en het water boven koraalriffen en ondiepe zandbanken; hij vist graag boven scholen kleine vis die door roofvissen naar de oppervlakte worden gedreven. Broeden doet hij op kale of schaars begroeide koraalcayes, rotsige eilandjes en schelpenstranden, vaak verscholen onder overhangende vegetatie of tussen rotsblokken, wat hem tussen de open kolonies van andere sterns moeilijk te vinden maakt. Naar estuaria en binnenwater gaat hij nauwelijks.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster van deze gids een tropische Australische broedvogel. Aan de westkant zit hij op de eilandengroepen voor de Pilbara- en Kimberley-kust, van de Houtman Abrolhos noordwaarts; aan de oostkant op de cayes van het Great Barrier Reef, in de Torresstraat en op de eilandjes van de Koraalzee. Buiten het broedseizoen verspreidt hij zich over de aangrenzende tropische zeeën; ver zuidelijk komt hij zelden, en in Nieuw-Zeeland is hij niet te verwachten. Wereldwijd broedt hij bovendien in de Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan, maar die populaties staan los van de Australische.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een rif of een zandbank waar sterns rusten en kijk eerst naar de staart: een vogel waarvan de witte linten ver voorbij de gevouwen vleugelpunten steken, is er bijna altijd een. Controleer daarna de poten — helder oranjerood, veel feller dan bij de bleke sterns ernaast — en luister naar het korte, hoge kiek, dat tussen het gekras van kuifsterns opvalt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC), maar dat is een gemiddelde over zeer ongelijke populaties: die van het noordwesten van de Atlantische Oceaan en van Noordwest-Europa zijn klein en streng beschermd, terwijl de tropische populaties, waaronder de Australische, groot zijn. Zijn kwetsbaarheid is de kolonieplek: hij broedt op lage koraal- en zandeilandjes die door een cycloon in één nacht kunnen onderlopen, en die bereikbaar zijn voor ratten, katten en bezoekers. Daarbij komt dat in delen van de tropen nog steeds eieren worden geraapt, en dat hij als voedselspecialist gevoelig is voor het verdwijnen van de scholen kleine vis waarvan hij leeft.

Wetenschappelijke naam

Sterna dougallii | Montagu, 1813

George Montagu beschreef de soort in 1813 als Sterna dougallii; ze staat nog in hetzelfde geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna komt van het Oudengelse stearn, een oude naam voor sterns. Het epitheton dougallii eert de Schotse arts Peter McDougall, die Montagu het eerste exemplaar toestuurde; de typelocatie is de eilandengroep Cumbrae in de Firth of Clyde in Schotland. De Nederlandse naam noemt de man die de vogel opstuurde, terwijl de Engelse naam de rozeglans op de borst noemt.