Alle soorten › Papegaaiachtigen › Halsbandparkieten › Edelpapegaai
Edelpapegaai | Eclectus polychloros
Papuan Eclectus | Loro eclecto
De edelpapegaai is de zware regenwoudpapegaai van het uiterste noorden van Kaap York, en het schoolvoorbeeld van seksueel dimorfisme onder de vogels: het mannetje is smaragdgroen, het vrouwtje scharlakenrood met blauw. De twee zagen er zo verschillend uit dat ze een eeuw lang voor twee soorten werden gehouden. Met zijn brede vleugels, korte vierkante staart en trage, zware slag ziet hij er in de vlucht boven de kroonlaag heel anders uit dan elke andere Australische papegaai.
Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Geluid
De contactroep in de vlucht is een schel, rauw kraa-ak, dat ver over het regenwoud draagt en meestal het eerste teken is dat er een edelpapegaai overkomt. Etende vogels zijn veel zachter en laten met tussenpozen een vriendelijk, tweelettergrepig tsjoe-wie, tsjoe-wie horen. Daarnaast heeft de soort een reeks gorgelende, klokkend-heldere geluidjes die in de kroon van een vruchtdragende boom bijna onopvallend klinken. Bij de nestholte roept het vrouwtje hard naar de mannetjes die haar komen voeren.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Het hoofdkenmerk is het verschil tussen de geslachten, dat in het veld meteen alles beslist. Het mannetje is effen smaragdgroen, met blauw op de vleugelboeg, donkerblauwe handpennen, scharlakenrode ondervleugeldekveren en flanken die pas in de vlucht opvlammen, en een gele zoom aan het staarteinde; de bovensnavel is koraaloranje met een gele punt en de iris oranje. Het vrouwtje is fel scharlakenrood op kop, hals en rug, met een blauwviolette band over de buik, een blauwe halsband in de nek, blauwe ondervleugeldekveren, een geheel zwarte snavel en een bleekgele iris in een blauwe oogring. Beide geslachten zijn zwaar gebouwd, met een dikke kop, brede afgeronde vleugels en een korte, recht afgesneden staart — een silhouet dat niets van een parkiet heeft.
Verwarringssoorten
Vrouwtjes zijn onverwisselbaar: geen andere Australische papegaai is rood met blauw. Mannetjes kunnen op afstand op een andere grote groene papegaai lijken, maar de roodvleugelparkiet (Aprosmictus erythropterus) is veel slanker, heeft een lange staart en een groot rood vleugelveld, en het mannetje daarvan heeft bovendien een zwarte mantel. De roodwangpapegaai (Geoffroyus geoffroyi) deelt de korte staart en het regenwoud van Kaap York maar is nog geen half zo lang en heeft bij het mannetje een rood gezicht met een lila kruin. De australische koningsparkiet (Alisterus scapularis) reikt in het noorden niet verder dan Cooktown en komt dus niet in dit gebied. Wie uitsluitend het silhouet ziet: de trage, zware, bijna kraaiachtige vleugelslag boven de kroonlaag is voor Kaap York al voldoende.
Leefgebied
De kroonlaag van laagland- en heuvelregenwoud, met daarnaast galerijbos langs de kreken, moessonbos en het aangrenzende eucalyptusbos waar hij komt foerageren. Hij eet vruchten, zaden, noten en bloesem, vooral vijgen, en is daarbij grotendeels aan de kroon gebonden. Het nest is een zeer diepe holte, een halve tot zes meter diep, in een dikke uitstekende regenwoudboom; zo'n holte is schaars en wordt tientallen jaren achtereen gebruikt. Het vrouwtje bewaakt de holte en wordt door verscheidene mannetjes gevoerd — een paringssysteem dat onder papegaaien vrijwel alleen staat.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Binnen dit kaartvenster alleen de oostzijde van het Kaap York-schiereiland in het uiterste noorden van Queensland, van de Pascoe River zuidwaarts tot Massey Creek en landinwaarts tot de McIlwraith Range. Het klassieke gebied is de Iron Range, het huidige Kutini-Payamu National Park, waar hij plaatselijk gewoon is. Verder komt hij nergens in Australië voor, en in Nieuw-Zeeland evenmin; buiten dit venster loopt het areaal door over Nieuw-Guinea en de eilanden ten oosten daarvan.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sta in Kutini-Payamu bij het eerste licht op een open plek of aan een bosweg met uitzicht over de kroonlaag en wacht tot de vogels van hun slaapplaats naar de vruchtdragende bomen vliegen: ze passeren hoog, roepen schel, en het geslacht is dan aan de kleur onmiddellijk af te lezen. Kijk bij het mannetje naar de ondervleugel, want het scharlaken daarvan is het enige rood dat hij laat zien. Een vrouwtje zit vaak lange tijd stil in de opening van haar nestholte, met alleen de rode kop naar buiten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) op de wereldlijst, want het grootste deel van het areaal ligt op Nieuw-Guinea, maar in Australië staat de soort als Kwetsbaar op zowel de nationale als de Queenslandse lijst. De Australische populatie is klein en zit op een zeer beperkt oppervlak. De voornaamste bedreiging zijn branden laat in het droge seizoen, die de grote oude bomen met diepe holten doden; omdat de soort tientallen jaren dezelfde holte gebruikt en er weinig geschikte zijn, is elke verloren nestboom een blijvend verlies. Daarnaast spelen illegale vangst voor de vogelhandel en verstoring bij de nestbomen een rol.
Wetenschappelijke naam
Eclectus polychloros | (Scopoli, 1786)
Scopoli beschreef de soort in 1786 als Psittacus polychloros; omdat ze later naar een ander geslacht verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eclectus werd in 1832 ingevoerd door Wagler, naar het Griekse eklektos, 'uitgelezen' of 'uitgekozen'. Het epitheton polychloros is gevormd uit poly, 'veel', en chloros, 'groen' — een naam die alleen op het mannetje slaat, want Scopoli kende het rode vrouwtje niet als dezelfde vogel. De oorspronkelijke beschrijving noemt geen vindplaats; ze berust op een door Sonnerat van Nieuw-Guinea meegebrachte vogel. De Engelse naam Papuan Eclectus dateert pas van de recente opsplitsing van de oude Eclectus roratus; de Australische vogels horen bij de ondersoort macgillivrayi, de grootste vorm van de soort.



