Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Elfenstern

Elfenstern | Sternula nereis

Fairy Tern | Charrancito australiano

De elfenstern is de eigen dwergstern van Australazië: een piepklein, bleek vogeltje met een geheel oranjegele snavel zonder zwart puntje, dat biddend boven ondiepe baaien en schelpenbanken jaagt. In Nieuw-Zeeland gaat hij als tara-iti door het leven en is hij de zeldzaamste broedvogel van het land — ruim veertig vogels, een handvol paren, allemaal op een strook kust in Northland. In Australië is hij algemener, maar ook daar staat hij onder druk.

Elfenstern (Sternula nereis)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een snel, ratelend tsjip-tsjip-tsjip, hoog en droog, dat jagende vogels aan elkaar doorgeven. Bij onraad boven de broedplaats gaat dat over in een raspend, boos kèt kèt, en een vogel die een indringer aanvalt blijft dat aanhoudend roepen. Buiten de broedtijd is hij opvallend stil en hoor je hooguit een kort piepje als hij van een schelpenbank opvliegt. De stem is iets voller en minder schel dan die van de dwergstern, al is dat verschil in het veld zelden beslissend.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een van de twee kleinste sterns van dit gebied, met vijfentwintig centimeter een fractie groter en met ruim zeventig gram merkbaar steviger dan de dwergstern. De bovendelen zijn licht grijs, de onderdelen wit, de vleugels smal en de staart ondiep gevorkt. Beslissend is de kop: de snavel is in broedkleed geheel oranjegeel, zonder zwart puntje, en de zwarte kap houdt op vóór de snavel, zodat de teugel wit blijft en het wit van het voorhoofd tot voor het oog doorloopt. De poten zijn oranje. In vlucht is de vleugelpunt slechts smal donker omzoomd en lopen stuit en staart grijzig door in de kleur van de mantel. Buiten de broedtijd verdonkert de snavel en wordt de kruin grauw gevlekt.

Verwarrings­soorten

De dwergstern (Sternula albifrons) is de enige echte verwarring en de beslissing valt aan de kop: die heeft een zwart puntje op de gele snavel, een zwarte teugel die doorloopt tot de snavelbasis, een witte stuit en staart die tegen de grijze mantel afsteken, en in vlucht een duidelijke zwarte wig in de buitenste handpennen in plaats van een smalle donkere zoom. De dwergstern is bovendien iets kleiner en lichter. Areaal helpt maar ten dele: in Nieuw-Zeeland overlappen beide in de noordelijke havens, en langs de Australische kust raken het westelijke en zuidelijke bereik van de elfenstern aan het oostelijke van de dwergstern. Buiten de broedtijd, als beide een donkere snavel hebben, blijft de teugel het bruikbaarst. Alle andere sterns hier zijn veel groter: het visdiefje (Sterna hirundo) en de tara-stern (S. striata) zijn allebei een klasse apart.

Leefgebied

Beschutte zandstranden, schelpenbanken, zandspits en zandbanken in estuaria en ondiepe havens, plus zoutkwelders met samphire (laag, vlezig zoutmoerasstruweel op getijdenslib) en de bassins van zoutwinning. Het nest is een kuiltje in schelpgruis of schoon zand, meestal op een kale bank net boven het hoogste water, in kleine losse groepjes. Hij jaagt biddend in ondiep, helder water van baai en getijgeul, zelden buiten de branding en vrijwel nooit op open zee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Drie gescheiden groepen, waarvan er twee binnen het kaartvenster vallen. In Australië loopt het bereik van Shark Bay in West-Australië langs de zuidkust tot de Golf van Sint-Vincent en Victoria, met kolonies in de estuaria en zoutwerken daartussen. In Nieuw-Zeeland gaat het om de oostkust van Northland — Waipū, Mangawhai, Te Ārai en Pakiri — met de Papakanui Spit aan de Kaipara als de andere vaste plek. De derde groep, op Nieuw-Caledonië, ligt buiten dit kaartvenster.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk altijd eerst naar de snavel: geheel oranjegeel betekent elfenstern, een zwart puntje betekent dwergstern. In Nieuw-Zeeland gaat u in november tot januari naar de afgezette broedstranden bij Mangawhai of Waipū en blijft u achter het lint; de vogels foerageren dan in het estuarium daarnaast en zijn vanaf de rand goed te zien. In Australië loont een zoutwinningsbassin in Zuid-Australië of een schelpenbank bij Rottnest.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU), en binnen dit gebied is het beeld nog schever dan die categorie suggereert. De Nieuw-Zeelandse tara-iti telt ruim veertig vogels en overleeft alleen door intensief beheer: vallenlijnen tegen ratten, hermelijnen en katten, hekken en wachters rond elk nest, en het redden van legsels die anders zouden wegspoelen. De Australische vogels hebben last van terreinwagens en honden op het strand, vossen, verwilderde katten en zilvermeeuwachtigen die nesten leegroven, en van stormvloeden en een stijgende zeespiegel die de lage schelpenbanken onder water zetten.

Wetenschappelijke naam

Sternula nereis | Gould, 1843

John Gould beschreef de soort in 1843, tijdens de jaren waarin hij de vogels van Australië bijeenbracht; tegenwoordig staat ze in Sternula, het geslacht dat Boie in 1822 invoerde als verkleinvorm van Sterna, het klassieke woord voor stern. nereis komt uit het Grieks en betekent 'zeenimf', naar de Nereïden, de dochters van de zeegod Nereus — dezelfde gedachte zit achter de Nederlandse naam elfenstern en de Engelse Fairy Tern. De Māori-naam tara-iti betekent letterlijk 'kleine stern', met hetzelfde tara dat ook in de naam van de tara-stern zit.